Cover

2.5. Khuddaka Nikāya

Khuddaka Nikāya

 

      De Khuddaka Nikāya is de “collectie van de kleinere stukken” of “de collectie van miscellania”. Door sommigen wordt ze ook als deel van de Abhidhamma-pitaka beschouwd. Deze collectie is een van de laatste compilaties in de Canon. De teksten van deze collectie zijn voor het grootste deel in versvorm en verschillen erg veel van elkaar. De werken die hier bijeengebracht zijn, moeten in verschillende perioden zijn ontstaan en van verschillende scholen zijn. Oorspronkelijk waren ze niet bedoeld om deel uit te maken van een groep. We vinden er bijvoorbeeld het Mangala sutta, het Ratana sutta en het Metta sutta welke suttas ook letterlijk in het Sutta-Nipāta staan.

      

      Er zijn 15 hoofdindelingen:

2.5.1. Khuddhakapāta.

2.5.2. Dhammapada.

2.5.3. Udāna.

2.5.4. Itivuttaka.

2.5.5. Sutta-Nipāta.

2.5.6. Vimānavatthu.

2.5.7. Petavatthu.

2.5.8. Theragāthā.

2.5.9. Therīgāthā.

2.5.10. Jātaka

2.5.11. Niddesa

2.5.12. Patisambhidāmagga

2.5.13. Apadāna

2.5.14. Buddhavamsa

2.5.15. Cariyāpitaka

 

      De Dīghabhānakas ontkenden de authenticiteit van Khuddhakapāta, Apadāna en Cariyāpitaka. Het zouden geen oorspronkelijke werken zijn. De andere werken voegden zij toe aan de Abhidhamma Pitaka. De Birmese traditie voegt nog vier latere boeken toe aan de Khuddaka Nikāya, namelijk Milindapañha, Suttasangaha, Petakopadesa en Nettipakarana.

 

1. Khuddhakapāta

1. Khuddhakapāta

 

      Het Khuddhakapāta is de tekst van kleinere passages. Het is het kortste boek van de Pali Tipitaka. Het is een compilatie van negen korte teksten. Deze teksten zijn bijna allemaal in versvorm. Door de Dīghabhānakas en de Majjhimabhānakas werd betwijfeld of dit boek wel in de Canon opgenomen moest worden. Zij sloten het daarom uit van hun lijst van canonieke teksten. Het werk is samengesteld uit delen van eerdere werken. Waarschijnlijk is het samengesteld in Sri Lanka. Als canoniek boek verschijnt het alleen in de commentaren. Zeven van deze teksten worden ook thans nog in de Boeddhistische cultus gebruikt en wel tijdens de Paritta-ceremonie. De teksten 1-4 zijn samengesteld in de vorm van formules. In de teksten 5-9 zien Seidenstücker en Winternitz oude gezangen van exorcisme. De teksten 5 en 6 worden als zeer gunstig beschouwd. Deze collectie is een soort handboek voor novicen. Het bevat:

 

1. Saranattaya: Het drie keer herhalen van de toevluchtname tot de Boeddha, zijn leer (Dhamma) en de Orde van de heiligen (Ariyasangha).

 

2. Dasasikkhāpada: De tien regels van deugdzaamheid voor novicen (sāmaneras).

 

3. Dvattimsākāra: Meditatie over de onzuiverheden van het lichaam.

Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, beenderen, merg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, bloedwater, speeksel, neusslijm, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.

 

4. Kumārapañha of Sāmanera pañha: Een katechismus met 10 vragen voor novicen.*1]

Wat is één? - Alle wezens bestaan op grond van voedsel.*2]

Wat is twee? - Naam en vorm.*3]

Wat is drie? - Drie soorten van gevoel.*4]

Wat is vier? - De vier Edele Waarheden.

Wat is vijf? - De vijf groeperingen van hechten.*5]

Wat is zes? - De interne zesvoudige basis.*6]

Wat is zeven? - De zeven factoren van Verlichting.

Wat is acht? - Het edele achtvoudige Pad.

Wat is negen? - De negen sferen van bestaan.*7]

Wat is tien? - Degene die begiftigd is met tien attributen heet een Arahant.*8]

 

5. Mangala Sutta: De leerrede over de grootste zegeningen (mangala). Dit is ontleend aan het Suttanipāta (verzen 258-269)

 

6. Ratana Sutta: Een gedicht over de Drie Juwelen: Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Ook dit staat letterlijk in het Suttanipāta.

 

7. Tirokudda Sutta: Een gedicht bij het brengen van offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten.

 

8. Nidhikanda Sutta: Een gedicht over het opslaan van ware rijkdom. Wereldlijke rijkdom is vergankelijk; de verdiensten die men verworven heeft in dit leven, gaan mee naar het volgende leven.

 

9. Metta Sutta: Een gedicht over welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid. Deze tekst staat ook in Sutta-nipata I.8. (verzen 143-152).

 

      Door de Dīghabhānakas en de Majjhimabhānakas werd betwijfeld of dit boek wel in de Pali Canon opgenomen moest worden. Het werk is samengesteld uit delen van andere werken. Waarschijnlijk is het samengesteld in Sri Lanka. Als canoniek boek verschijnt het alleen in de commentaren.

_____

*1] Deze vragen werden door de Boeddha gesteld aan een novice, die ze allemaal heel goed beantwoordde. Hij was namelijk toen al een Arahant.

*2] Er zijn vier soorten voedsel: (a) gewoon materieel voedsel; (b) contact van de zintuigen met zinsobjecten; (c) bewustzijn; en (d) geestelijk willen.

*3] Naam en vorm of geest en materie.

*4] Gevoel kan prettig, neutraal of onprettig zijn.

*5] Deze vijf groeperingen zijn: lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties, en bewustzijn.

*6] Zij bestaan uit de vijf fysieke zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam) plus de geest.

*7] De negen sferen van bestaan zijn: de wereld van de hellen, de wereld van de dieren, de wereld van de ongelukkige geesten (petas), de wereld van de demonen, de menselijke wereld, de werelden van de goden (devas), de werelden van de Brahmas, de Zuivere Verblijven, en de onstoffelijke sfeer.

*8] De tien attributen van een Arahant zijn: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie, juiste kennis (sammañāna), en juiste bevrijding (samma vimutti).

 

2. Dhammapada

2. Dhammapada

 

Het Dhammapada of “pad van de Dhamma” is het best bekende werk van de Boeddhistische literatuur. Het is een bloemlezing van uitspraken die hoofdzakelijk betrekking hebben op de ethische leer van de Boeddha. Het bestaat uit 423 verzen die door de Boeddha bij circa 305 gelegenheden zijn gesproken. Ze zijn naar onderwerp gerangschikt in 26 vaggas of secties (hoofdstukken). Meer dan de helft van de verzen komt elders in de canon voor. Het is niet na te gaan of de verzen van het Dhammapada daaraan ontleend zijn of dat ze van een andere bron afkomstig zijn. Enkele verzen komen ook voor in Jain of brahmaanse teksten. Dit laat vermoeden dat ze ontleend zijn aan een algemene voorraad van verzen die toen in Noord-India schijnt te hebben bestaan. Volgens E.W. Burlingame, de vertaler van Buddhist Legends, berusten de verhalen bij de verzen van het Dhammapada niet steeds op waarheid. Er zouden volksverhalen en legenden toegevoegd zijn. De gebeurtenissen die in deze commentaarverhalen beschreven zijn, geven een voorbeeld. Via een inkleding is een bepaald gegeven overgeleverd. Maar de verzen van het Dhammapada worden wél als woorden van de Boeddha zelf beschouwd. Volgens Winternitz zijn de verhalen die bij de verzen horen als uitleg of commentaar, pas later eraan toegevoegd. Maar over het algemeen wordt aangenomen dat die verhalen mondeling overgeleverd zijn vanaf de tijd van de Boeddha tot in de vijfde eeuw na Chr.

      Buddhaghosa heeft een commentaar geschreven bij de Pāli verzen en daarbij de verhalen genoteerd. Zo zijn die verhalen tot ons gekomen. De samenstelling en ordening ervan in vaggas is natuurlijk het werk van de samensteller. In het Dhammapada worden de wezenlijke principes van de Boeddhistische filosofie en de Boeddhistische manier van leven behandeld. Elke vorm van strenge ascese wordt er veroordeeld. De nadruk wordt gelegd op goed gedrag (sīla), in evenwicht gehouden door concentratie (samadhi) en versterkt door gezond verstand (pañña). De leer van de Boeddha wordt er in het kort beschreven: doe geen kwaad, doe goed en zuiver de eigen geest (vers 183).

      Meer dan de helft van alle verzen van het Dhammapada zijn ook te vinden in andere teksten van de Pāli Canon.

      Het lijden in deze wereld kan beëindigd worden alleen door de vernietiging van hevige begeerte.*1] Begeerte, kwaadwil en afkeer, en illusie worden als gevaarlijk beschouwd. Alleen als ze in toom gehouden worden kan een gelukkig leven bereikt worden. Daartoe moeten de twee uitersten vermeden worden: behagen scheppen in een leven vol genot; en het uitoefenen van zelfkwelling. Men moet de middenweg volgen, d.w.z. het edele achtvoudige pad van de Boeddhas. Het bereiken van de verschillende niveaus op het Boeddhistisch pad is hoger aan te slaan dan het bezit van de hele wereld (vers 178). Iedereen kan de factoren van Verlichting ontwikkelen en de geest ontplooien. Men moet zichzelf inspannen. De Boeddha is alleen een gids (vers 276). Aanbevolen wordt een leven van vrede en zonder geweld (verzen 129-130 en 142).

_____

*1] in het Duits: Leidenschaft ist was Leiden schafft.

 

Onderverdeling

Onderverdeling

 

      Zoals boven vermeld, is het werk onderverdeeld in 26 hoofdstukken (vaggas):

1. Yamaka vagga. – De tweelingverzen. Vijandschap wordt niet overwonnen door vijandschap, maar door liefdevolle vriendelijkheid. Degene die kwaad doet, klaagt hier en in het hiernamaals. Degene die goed doet, verheugt zich hier over de goede daden en is gelukkig hier en hiernamaals.

2. Appamāda vagga. – Oplettendheid.

3. Citta Vagga. – De geest. Het is moeilijk de geest onder controle te houden; ze gaat heen en weer. De wijze temt ze en maakt ze gedwee.

4. Puppha vagga. – Bloemen.

5. Bāla vagga. – Dwazen. Als men niemand ontmoet die gelijk aan of meer is dan zichzelf, moet men alleen verder gaan. Want er is geen hulp voor een dwaas.

[vergelijk Sn.1.3. Khaggavisāna Sutta – De rhinoceros].

6. Pandita vagga. – De wijze. Degene die iemand waarschuwt en afhoudt van het kwaad is dierbaar aan goede mensen. Maar slechte mensen houden niet van hem. Er zijn maar weinigen die naar de andere oever wensen te gaan. De meesten lopen langs de oever.

7. Arahanta vagga. – De waardige, de edele. Zelfs de goden benijden de man die zijn zinnen bewaakt en bedwongen heeft en die zijn geestelijke verontreinigingen heeft gezuiverd.

8. Sahassa vagga. – Duizenden.

9. Pāpa vagga. - Het kwaad. Nergens is er een plaats waar men bevrijd is van (het resultaat van) slechte daden.

10. Danda vagga. - De roede of straf. Iedereen is bang voor straf. De dood is beangstigend voor allen. Daarom moet men niet doden noch anderen aanzetten tot doden.

11. Jāra vagga. – Ouderdom.

12. Atta vagga. – Het zelf. Men is de baas over zichzelf; wie anders kan er de baas zijn. Wanneer men zichzelf bedwongen heeft, heeft men een zeldzame overwinning behaald.

13. Loka vagga. – De wereld.

14. Buddha vagga. – De Boeddha. Het afzien van alle kwaad, goed te doen en de geest te zuiveren – dat is de leer van de Boeddhas.

15. Sukha vagga. – Geluk. We leven gelukkig, met liefde, temidden van degenen die haten. We leven vrij van vijandschap temidden van degenen die er vol van zijn. De overwinnaar veroorzaakt gevoelens van vijandschap; de overwonnenen hebben een verstoorde slaap. De bevrijde, die boven overwinning en nederlaag staat, is gelukkig. Vrij te zijn van ziekte is een groot gewin; tevredenheid is de beste rijkdom; vertrouwen is de ware verwant; en Nibbāna is het hoogste wat men kan bereiken.

16. Piya vagga. – Affectie, genegenheid.

17. Kodha vagga. – Boosheid, woede. Hij is waarlijk een wagenmenner die zichzelf kan weerhouden boos te worden. De anderen houden slechts de teugels. Laat men het boze bedwingen door goedheid; gierigheid door vrijgevigheid, oneerlijkheid door waarheid.

18. Mala vagga. – Onzuiverheden of smetten.

19. Dhamattha vagga. – Het juiste of het oprechte.

20. Magga vagga. – De weg, het pad.

21. Pakinnaka vagga. – Gemengd.

22. Niraya vagga. – Staten van ellende.

23. Nāga vagga. – De olifant.

24. Tanhā vagga. – Begeerte.

25. Bhikkhu vagga. – De Bhikkhu; de monnik.

26. Brāmana vagga. – De bramaan. Men is geen brahmaan door een bepaalde haardracht, noch door familie of geboorte. De ware brahmaan is degene die begiftigd is met waarheid, mededogen en zuiverheid.

 

Vertalingen

 

 

 

In het volgende een selectie van verzen uit het Dhammapada met de bijhorende verhalen.

Dhp. 1 (I.1)

De blinde arahant

 

1. Al wat verschijnt komt uit het denken; het is geboren uit denken, gevormd uit denken. Als iemand spreekt of handelt met kwade gedachten, volgt smart hem na, zoals de wiel de poten van de os die (een kar) trekt.

 

Iemand van middelbare leeftijd werd een monnik. Energiek leidde hij een beschouwend leven en bereikte de volmaakte heiligheid. Maar hij werd blind.

Op zekere dag liep hij op en neer en doodde zonder opzet veel insecten. Sommige monniken zagen dat en klaagden bij de Boeddha dat die monnik het vergrijp van doden had begaan. De Boeddha legde uit dat die monnik dat zonder opzet had gedaan en dat hij een arahant was.

De Boeddha vertelde dat die monnik in een vroeger leven een arts was geweest. Hij had toen een oogzalf aan een arme vrouw gegeven. Zij beloofde dat, als zij weer kon zien, zij en haar kinderen als bedienden voor de arts zouden werken. Door de oogzalf kon die vrouw weer zien. Maar zij hield zich niet aan haar belofte. Zij beweerde dat zij nu slechter kon zien dan voorheen. De arts gaf haar daarop een andere zalf waardoor zij blind werd. Als gevolg van die wrede daad werd de arahant blind.

En verder zei de Verhevene:

   “De geest is de voorloper van alle kwade staten,

   de geest is het belangrijkste;

   door de geest worden ze geschapen.

   Als iemand spreekt of handelt met verdorven geest

   zal tengevolge daarvan hem of haar lijden volgen,

   net zoals het wiel de hoef volgt van de os.”

 

[De Boeddha en de Arahants verzamelen geen nieuw kamma meer. Maar zij ondervinden wel nog de gevolgen van hun vroegere daden] 

 

Dhp.2 (1.2)

De weg naar de hemel

 

2. Al wat verschijnt komt uit het denken; het is geboren uit denken, gevormd uit denken. Als iemand spreekt of handelt met goede gedachten, volgt hem het geluk als schaduw op de voet.

 

Mattha Kundali, de zoon van een gierige miljonair was erg ziek. Zijn vader wilde geen arts laten komen omdat hij dan geld moest uitgeven. De Boeddha zag met zijn goddelijk oog dat de jongen op sterven lag en hij verscheen voor hem. Toen de jongen de Boeddha zag, was hij vol vreugde. Hij stierf met een zuiver hart, vol vertrouwen in de Boeddha. Daarom werd hij wedergeboren in een hemelse sfeer van bestaan.

Vanuit zijn hemelse verblijf zag hij zijn oude vader verdrietig bij zijn graf staan. Hij verscheen voor zijn vader en gaf hem de raad naar de Boeddha te gaan, aalmoezen te geven en naar de preek van de Boeddha te luisteren. De vader deed wat hem was aangeraden. Na de preek vroegen de monniken of iemand wedergeboren kon worden in een hemelse sfeer enkel en alleen door diep vertrouwen te hebben in de Boeddha, zonder de regels van deugdzaamheid te hebben nagevolgd en zonder edelmoedigheid beoefend te hebben. Op verzoek van de Boeddha verscheen Mattha Kundali in zijn hemelse glorie voor de monniken en vertelde dat hij in de Tavatimsa hemel was wedergeboren. Toen waren de monniken overtuigd ervan dat men zo'n glorie kan verkrijgen enkel door vertrouwen in de Boeddha.

Op het einde van de preek besefte de oude man de Dhamma en gaf veel van zijn vermogen ten behoeve van de Dhamma.

 

   “De geest is de voorloper van alle goede staten,

   de geest is het belangrijkste;

   door de geest worden ze geschapen.*1]

   Als iemand spreekt of handelt met zuivere geest

   zal ten gevolge daarvan hem of haar geluk volgen,

   net zoals de schaduw iemand niet verlaat.”

 _____

*1] Zonder geest of bewustzijn ontstaan geen mentale staten. Daarom is de geest de voorloper van alle goede en slechte mentale staten. Cetanā of wil is het belangrijkste van alle mentale staten.

 

Dhp. 3 – 6.

verdraagzaamheid

 

 

3. "Hij beschimpte mij, trof mij, versloeg mij", beroofde mij", in hen die zulk gedachten huisvesten, eindigt de haat nooit.

 

4. "Hij beschlmpte mij, trof mij, versloeg mij, beroofde mij", in hen die zulke gedachten niet hulsvesten, elndigt de haat.

 

5. Want haat eindigt nooit door haat; haat eindigt door liefde, dat is de eeuwige wet.

 

6. De wereld bedenkt niet dat wij allen hier tot een eind moeten komen, maar zij die dit inzien, staken dadelijk alle twist.

 

Dhp. 15 – 17.

Boosdoeners en weldoeners

 

Dhp. 15 (1.10) Boosdoeners lijden hier en hierna

 

15. De boosdoener treurt in deze wereld en hij treurt in de volgende; hij treurt in beide. Hij treurt en lijdt wanneer hij het kwade ziet dat komt uit eigen werk.

 

Een slachter voorzag in zijn levensonderhoud door op wrede manier varkens te slachten. Op het einde van zijn leven leed hij erg veel. Voor zijn dood kroop hij over de grond en uitte geluiden als een varken. Hij leed geestelijk en lichamelijk veel pijn. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een staat van ellende.

“Degene die kwaad doet, treurt hier en later. Hij treurt omdat hij de onzuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.”

 

Dhp.16 (1.11) Gelukkig is de weldoener hier en hierna

 

16. De goede genlet in deze wereld en geniet in de volgende: hij geniet in beide. Hij geniet en verblijdt zich als hij de reinheid ziet van eigen werk.

 

Een vrome jongeman leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken de doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken te Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen. Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.

“Hier en later verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.”

 

Dhp. 17 (1.12) De boosdoener klaagt hier en hierna

 

De eerwaarde Devadatta probeerde de Boeddha te vermoorden. Later werd Devadatta negen maanden lang ziek. Hij kreeg spijt van zijn boze daden en vroeg zijn discipelen hem naar de Boeddha te brengen. Op weg naar de Boeddha stierf hij onder tragische omstandigheden. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een zeer pijnlijke staat van elende.

17. “Hier en later lijdt degene die kwaad doet. Hij denk: 'Ik heb kwaad gedaan,' en daarom lijdt hij. Verder lijdt hij omdat hij naar een staat van ellende is gegaan.”

 

Dhp.19-20 en 25.

Heiligheid hangt niet af van geleerdheid

 

Dhp. 19-20.

Er waren twee monniken: de een was nog een wereldling maar was wel bedreven in de verzen van de leer. In de praktijk oefende hij echter niet uit wat hij theoretisch wist. De andere monnik kende weinig van buiten maar hij beoefende de leer in de praktijk. Na niet lange tijd verwerkelijkte hij Nibbāna en genoot de vruchten van het heilige leven. De geleerde monnik wilde de ander in de war brengen door hem enkele ingewikkelde vragen te stellen in tegenwoordigheid van de Boeddha. Maar de Verhevene kende de lage beweegreden. Zelf stelde hij enkele vragen die verband hielden met de verwerkelijking van de leer. De arahant beantwoordde ze allemaal vanuit eigen ervaring. Maar de geleerde monnik kon dat niet omdat hij geen enkel van de paden van heiligheid bereikt had. Daarop prees de Boeddha de arahant met de woorden:

19. “Al reciteert men ook veel uit de heilige teksten,*1] maar als men niet overeenkomstig ernaar handelt, dan is die onoplettende persoon als een koeherder die het vee van anderen telt. Hij heeft geen deel aan de vruchten van het heilige leven.

20. Al reciteert men weinig uit de heilige teksten, maar als men wel overeenkomstig de leer handelt, als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.”

 _____

*1] Heilige teksten = de Pali Canon.

 

Dhp.25

Mahapanthaka werd een monnik. De jongen leerde een aanzienlijk deel van de woorden van de Boeddha uit het hoofd, verbleef op één plaats gedurende de regenperiode, ontving de volle wijding tot monnik en bereikte arahantschap door zich ijverig toe te leggen op meditatie. Toen Mahapanthaka zijn tijd in het genot van de zegening van mystieke meditatie doorbracht, in de zegening van de vrucht van het pad, dacht hij bij zichzelf: "Het is zeker in de kracht van mijn jongere broer Culapanthaka om hetzelfde genot te ervaren. Daarom liet hij Culapanthaka komen en vestigde hem in de morele regels. Maar Culapanthaka bleek een domoor te zijn. In vier maanden tijd was hij niet in staat om een enkel vers uit het hoofd te leren. Daarop zei Mahapanthaka tot zijn broer: "Je bent niet in staat om deze religie te bemeesteren. Hoe kun je ooit hopen het doel van dit religieuze leven te bereiken? Verlaat onmiddellijk het klooster."

Met deze woorden verdreef Mahapanthaka zijn broer uit de Orde. Maar Culapanthaka was de leer van de Boeddha zeer toegedaan en hij wilde ze niet verlaten. Op die tijd werd de Boeddha uitgenodigd om met zijn gevolg te komen eten bij een lekenvolgeling. Hij vroeg hoeveel monniken er waren. Het antwoord van Mahapanthaka luidde dat er 500 monniken waren. Culapanthaka vertrok toen uit het klooster, maar de Boeddha zag dit in zijn geest en ging op dezelfde weg heen en weer. Hij ontmoette Culapanthaka en vroeg hem waar hij naartoe ging. "Eerwaarde heer, mijn broer heeft mij uit de Orde verstoten en daarom ga ik terug naar de wereld." - "Culapanthaka, door mijn handen heb je intrede in de Orde verkregen. Waarom kwam je niet naar mij toe, toen je broer je verstootte? Kom nu, wat heb je te doen met het leven van een gezinshoofd. Je zult bij mij blijven."

Met deze woorden streek de Leraar hem met zijn hand over het hoofd en nam hem met zich mee, gaf hem een helder doekje en zei: "Kijk naar het oosten, wrijf dit doekje en zeg: 'Verwijdering van onzuiverheid, verwijdering van onzuiverheid.'"

Toen Culapanthaka het doekje wreef, werd dat smerig. Hij dacht toen: "Dit doekje was voorheen zuiver, maar door aanraking met mijn lichaam heeft het zijn oorspronkelijke karakter verloren en is vuil geworden. Veranderlijk en vergankelijk, waarlijk, zijn alle bestaande dingen." En hij ontwikkelde inzicht, begreep de gedachte van ontstaan, vergaan en dood.

De Boeddha wist dat Culapanthaka inzicht had bereikt en zei: "Culapanthaka, denk niet alleen aan een stuk doek. Maar binnen in jou zijn lust, onzuiverheid en andere smetten. Verwijder die." En verder zei hij: "Begeerte en onwetendheid, niet het vuil is waarlijk genaamd onzuiverheid. Voor begeerte en onwetendheid is de aanduiding onzuiverheid juist gebruikt. Monniken moeten zichzelf bevrijden van deze vorm van onzuiverheid en leven vol vertrouwen in de religie van hem die vrij is van begeerte en onwetendheid."

Door verder na te denken over het vergankelijke, het niet-blijvende van alle veroorzaakte dingen bereikte de jonge monnik Culapanthaka de staat van volledige heiligheid (arahantschap) samen met de bovennatuurlijke eigenschappen en ook de kennis van de drie Pitakas.

En de Boeddha sprak het vers:

25. "Door onafgebroken inspanning, ernstig streven, discipline en zelfbeheersing, laat zo de wijze voor zichzelf een eiland maken dat door geen vloed kan worden overstroomd."

*

commentaar:

Een eiland op een hoger niveau kan niet overstroomd worden, maar het omringende lager gelegen land kan dat wel. Zo'n eiland wordt een toevlucht voor allen. Op dezelfde manier moet de wijze die inzicht ontwikkelt, van zichzelf een eiland maken door arahantschap te bereiken zodat hij of zij niet kan worden meegesleurd door de vier stromen van zinnelijke verlangens, verkeerde meningen, begeerte naar bestaan, en onwetendheid.

 

Dhp. 42 (III.8)

Een slecht gerichte geest is de ergste vijand

 

Een veehoeder gaf enkele dagen maaltijden aan de Boeddha en zijn monniken. Op de laatste dag na de preek bereikte de veehoeder het eerste niveau van heiligheid. Toen de Verhevene vertrok vergezelde hij hem enige tijd en keerde daarna terug. Op zijn terugweg werd hij gedood door de pijl van een jager. De monniken merkten op dat de veehoeder niet zou zijn gedood door die pijl als de Boeddha hem niet had bezocht. De Boeddha gaf ten antwoord dat die veehoeder onder geen enkele omstandigheden had kunnen ontsnappen aan de dood ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Hij voegde toe dat de met opzet slecht gerichte geest erg vijandig tegen iemand kan zijn.

42. “Wat voor kwaad een dwaas toebrengt aan een andere dwaas, of een hater aan een andere hater, een slecht gerichte geest kan veel meer kwaad doen.”

Dhp. 62 (V.3)

Men is niet van zichzelf

 

Een rijke maar gierige man was wedergeboren als een afzichtelijke bedelaar. Op zekere dag betrad hij het huis waar hij had gewoond in zijn vroegere leven. Hij werd naar buiten gegooid op een hoop afval. De Boeddha kwam toen voorbij, en vertelde aan de zoon van die bedelaar dat deze zijn eigen gestorven vader was.

63. “Zonen heb ik, rijkdom heb ik. Aldus meent de dwaas dat hij in zekerheid is. Waarlijk, hij is niet van zichzelf. Hoe kunnen dan zonen en rijkdom van hem zijn?”

 

Dhp. 66-69 (V.7-10)

De vrucht van kwaad is bitter. De melaatse Suppabuddha

 

66. Dwazen zonder begrip hebben zichzelf tot ergste vijand, want zij doen slechte daden die bittere vruchten dragen.

 

      Te Rājagaha leefde een man met naam Suppabuddha. Hij was melaats; zijn ledematen waren erg aangetast door die ziekte. Hij was erg arm. Hij kleedde zich in weggeworpen stroken stof die hij aan elkaar naaide. En hij at wat anderen over hadden van hun maal.

      Op een dag kwam de Boeddha terug van zijn aalmoezenrondgang. Hij ging met zijn gevolg Rājagaha binnen. De bewoners ervan maakten een zitplaats voor hem gereed. En hij onderwees er de Dhamma.

      Suppabuddha zag van verre het volk en hij vroeg zich af waarom het daar bijeen was gekomen. Hij dacht dat er eten uitgedeeld werd en dat ook hij er misschien iets zou krijgen. Hij kwam dichter bij en zag de Verhevene de leer onderwijzen. Suppabuddha ging aan de rand van de menigte zitten om naar de leer te luisteren.

      Hij was in zulke omstandigheden wedergeboren als resultaat van een vergijp jegens de Paccecabuddha Tagarasikhi. Maar hij was in staat om de leer vlug te begrijpen en hij bereikte het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti).

      Suppabuddha wilde graag aan de Leraar bekend maken wat hij bereikt had na diens onderricht van de Dhamma. Maar wegens zijn melaatsheid wilde hij niet samen met de menigte gaan. Hij wachtte daarom tot de Verhevene naar het Veluvana-klooster was gegaan en ging er daarna eveneens heen.

      Sakka, de koning van de goden besefte wat Suppabuddha van plan was. Om hem te testen, rees hij in de lucht omhoog en zei: “Suppabuddha, je bent de armste van allen, je lijdt veel en je bent de laagste van alle mensen. Ik zal je onbegrensde rijkdom geven als je de Boeddha, Dhamma en Sangha loochent en zegt dat je dat Drievoudige Juweel beu bent.” Suppabuddha vroeg daarop wie tot hem sprak. “Ik ben Sakka, koning van de goden,” luidde het antwoord, waarop Suppabuddha zei: “Jij dwaas, je zegt dat ik arm ben en behoeftig en ziek. Maar integendeel, ik heb geluk bereikt en grote rijkdom, namelijk de rijkdom van vertrouwen, de rijkdom van moreel goed gedrag, de weelde van bescheidenheid, de weelde van vrees voor zonde, de rijkdom van een heilige leer, van ontzegging, van wijsheid; deze zeven voorraden van rijkdom zijn van mij. Alwie deze voorraden van rijkdom bezit, hetzij man of vrouw, zo iemand is niet arm; het leven van zo iemand is niet tevergeefs. Dit zijn de zeven voorraden van achtenswaardige rijkdom. Zij die deze voorraden van rijkdom bezitten, worden niet arm genoemd door Boeddhas of Pacceka-Boeddhas.”

Sakka ging naar de Verhevene en vertelde hem de gebeurtenis. En de Verhevene zei: “Het is zelfs met 100 of 1000 geldstukken niet mogelijk dat men de Boeddha, Dhamma en Sangha laat verloochenen door de melaatse Suppabuddha.”

Later werd Suppabuddha als resultaat van een slechte daad door de horens van een koe gedood. Hij werd in een hemelse sfeer wedergeboren.

De Boeddha legde uit dat Suppabuddha in zijn vroegere leven op een Paccekabuddha had gespuwd en daarom melaats was geworden. En hij had in een vroeger leven een courtizane gedood en daarom was hij nu gedood.

66. “Dwazen met weinig verstand lopen heen en weer met het zelf als hun eigen vijand. Zij doen slechte daden waarvan het resultaat bitter is.” [Dhp. 66 (V.7)]

 

67. Die daad is niet welgedaan waarover men berouw moet hebben, waarvan men het loon ontvangt onder geklag en tranen.

 

68. Die daad is welgedaan waarover men geen berouw zal hebben, waarvan men het loon blijde en opgeruimd ontvangt.

 

69. Zolang de kwade daad geen vruchten draagt, lijkt zij de dwaas zoet als honing, maar als zij rijpt, lijdt de dwaas smart.

Dhp.71 (V.12)

Een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht

 

71. Een onheilzame daad evenals verse melk stremt niet plotseling; zij smeult als vuur onder de as en vervolgt de dwaas.

 

De eerwaarde Moggallana zag eens een peta met een menselijk hoofd en met het lichaam van een slang. De Boeddha legde uit dat er in het verre verleden een Paccekabuddha was geweest. De mensen liepen door een veld naar zijn klooster. De eigenaar van dat veld was bang dat de mensen te veel schade aan het veld toebrachten en daarom stak hij het klooster van de Paccekabuddha in brand. De mensen werden boos en sloegen hem dood. Als gevolg van zijn slechte daad werd hij wedergeboren als een peta in de gedaante van een slang.

71. “Waarlijk, een euvele daad draagt niet onmiddellijk vrucht, juist zoals melk niet direkt kwark wordt. Het smeult en volgt de dwaas als vuur dat bedekt is met as.”

 

Dhp.100 (VIII.1)

Begrip van de leer

 

Tambadatthika voegde zich bij een bende dieven en beging veel misdaden. Later werd hij een beul. Toen hij gepensioneerd was, ging hij naar de rivier en zag er de eerwaarde Sariputta. Tambadatthika dacht dat hij lang een beul was geweest. Maar nu was het tijd om voedsel te geven aan de monnik. Daarom nodigde hij de eerwaarde Sariputta uit voor de maaltijd. Na het maal preekte Sariputta de leer. Maar Tambadatthika kon zich niet goed concentreren vanwege zijn vroegere beroep en hij vroeg met preken te stoppen. De eerwaarde Sariputta vroeg hem toen of hij als beul de misdadigers had gedood uit vrije wil of omdat het hem was opgedragen. Tambadatthika zei dat hij niet wilde doden maar dat het hem door de koning was opgedragen. Sariputta vroeg hem toen wat hij dan voor kwaad had gedaan. Het gemoed van Tambadatthika werd kalmer en hij vroeg aan de eerwaarde Sariputta verder te gaan met de preek. Na de preek vergezelde hij de eerwaarde Sariputta een stuk en keerde toen naar huis terug. Onderweg stierf hij ten gevolge van een ongeval.

Hoewel hij tijdens zijn leven veel slechte dingen had gedaan, werd hij wedergeboren in de Tavatimsa hemel omdat hij de leer begreep. De Boeddha legde uit dat zijn goede wedergeboorte te danken was aan het mededogen en het heilzame advies van de eerwaarde Sariputta. De lengte van de toespraak is niet van belang. Een enkele zin van de Dhamma die juist begrepen wordt, kan veel goeds veroorzaken.

100. “Beter dan duizend uitspraken met nutteloze woorden is één heilzaam woord bij het horen [of lezen] waarvan men tot vrede komt.”

 

Dhp. 102-103 (VIII.3-4)

Zelfoverwinning

 

Een rijke jongedame werd verliefd op een dief en trouwde met hem. Later nam de dief zijn vrouw naar een rots en wilde haar sieraden stelen en haar doden. Zij smeekte alleen haar sieraden te nemen en haar leven te sparen. De vrouw gaf voor dat zij voor de laatste keer eer aan hem wilde bewijzen, ging achter hem staan en duwde hem naar beneden. Later werd zij een non. Zij ontmoette de eerwaarde Sariputta, vernam de Dhamma en bereikte volmaakte heiligheid. De monniken praatten erover hoe zij na iemand gedood te hebben een Arahant was geworden na een paar woorden over de Dhamma.

De Boeddha sprak toen over de uitwerking van de woorden van waarheid en het belang van zelfoverwinning.

102. “Ook al reciteert men 100 verzen met nutteloze woorden, beter is één enkel woord van de Dhamma bij het horen [of lezen] waarvan men tot rust komt.”

103. “Ook al overwint men een miljoen mensen op het slagveld, toch is diegene de edelste overwinnaar die zichzelf heeft overwonnen.”

 

Dhp. 117 – 124

Goed en kwaad

 

117. Als iemand zonde bedrijft, laat hem dat niet weer doen, laat hem geen vreugde vinden in zonde; opeenstapeling van kwaad brengt lijden.

 

118. Als iemand goed doet, laat hem dat weer doen, laat hem blijdschap vinden in goed, doen; opeenstapeling van goed brengt vreugde.

 

119. Zelfs een boosdoener kent geluk zolang zijn kwade daad nlet ls gerijpt, maar als zijn kwade daad rijpt, wordt de boosdoener door het kwade getroffen.

 

120. Zelfs een goed mens ontmoet kwade dagen zolang zijn goede daad nlet ls gerijpt; maar als zijn goede daad rijpt, dan wordt de goede door het goede getroffen.

 

Anathapindika steunde heel edelmoedig de Sangha en verloor het grootste deel van zijn vermogen. Hij werd bekritiseerd vanwege zijn buitengewone gaven. Hij ignoreerde alle kritiek en bleef doorgaan met zijn edelmoedige daden. De Boeddha waardeerde zijn edelmoedigheid en zei:

119. “Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.”

120. “Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.”

 

121. Laat niemand licht denken over het kwaad, zeggende: "Het zal tot mij nlet komen". Zelfs door het vallen van druppels wordt het vat gevuld; de dwaas wordt vol van het kwade, al vergaart hij het beetje bij beetje.

 

122. Laat niemand licht denken over het goede, zeggende: "Het zal tot mij niet komen". Zelfs door het vallen van druppels wordt het vat gevuld. De wijze wordt vol van het goede, al vergaart hij het beetje bij beetje.

 

Dhp. 124 (IX.8)

Geen kwade bedoeling

 

De dochter van een rijke man die een in de stroom getredene was, werd verliefd op een jager en ging er met hem vandoor. Zij huwden en zij kreeg meerdere zonen. Hoewel de vrouw een in de stroom getredene was, gaf zij bogen en pijlen aan haar man om ermee te gaan jagen. Toen de Boeddha bij hun huis kwam, vroeg zij dat zij de pijlen en bogen terzijde moesten leggen en eer moesten brengen aan de Verhevene. De Boeddha legde toen de leer aan hen uit. Zij allen begrepen de Dhamma.

De monniken vroegen zich af of zij iets kwaads deed door zo te handelen. De Boeddha legde uit dat sotapannas niet doden en dat haar gedrag onberispelijk was omdat zij dat deed uit gehoorzaamheid aan haar echtgenoot en omdat zij geen kwade bedoeling erbij had.

124. “Als er geen open wonde is in iemands hand, kan men vergif erin dragen. Vergif heeft geen invloed op iemand die geen wonde heeft. Voor iemand die geen verkeerds doet, is er geen kwaad.”

 

Dhp. 125 (IX.9)

Kwelling van onschuldigen is als stof tegen de wind in

 

Een jager ging op jacht met zijn honden. Onderweg kwam hij een monnik tegen. De jager dacht dat dit een slecht voorteken was en dat hij nu wel niets zou schieten. Hij kon inderdaad geen dier doden. Op de terugweg zag de jager dezelfde monnik. Hij dacht dat hij niets geschoten had omdat hij die monnik had ontmoet. Hij werd boos en joeg zijn honden tegen de monnik. Deze klom in een boom. De jager doorboorde toen de voetzolen van die monnik met zijn pijlen. Die kon van de pijn zijn gewaad niet vasthouden en het viel op de jager en bedekte hem. De honden dachten dat de monnik uit de boom was gevallen en beten de jager dood. De monnik vroeg of hij iets verkeerds had gedaan. De Boeddha zei dat hij niet verantwoordelijk was voor de dood van de jager. Hij legde de slechte resultaten uit die iemand ten deel vallen die een onschuldig persoon kwelt.

125. “Alwie een onschuldig, zuiver persoon kwelt, op die persoon komt het kwaad terug als stof dat tegen de wind in is gegooid.”

 

Dhp. 126 -127 (IX.10-11)

Kamma bepaalt de geboorte

 

Dagelijks placht een monnik die een arahant was het huis te bezoeken van een edelsteenslijper wiens vrouw aalmoezen voor de monnik klaarmaakte. Op een dag was de steenslijper niet aanwezig en een vogel at in bijzijn van die monnik een robijn. De steenslijper vond de robijn niet. Hij vroeg aan de monnik of die de robijn had. Deze ontkende. De steenslijper verdacht de monnik echter en meedogenloos kwelde hij hem. Bloed kwam uit het lichaam van de monnik. De vogel kwam het bloed drinken. De steenslijper sloeg de vogel dood. De monnik vertelde toen wat er gebeurd was. De steenslijper opende de maag van de vogel, vond de edelsteen en smeekte om vergiffenis. Op verzoek van de monniken legde de Boeddha uit dat wilsacties de geboorte bepalen. De steenslijper werd na zijn dood wedergeboren in de hel. De arahant ging heen in Nibbana.

126. “Sommigen worden geboren in een moederschoot. Mensen die kwaad doen worden geboren in staten van ellende. Degenen met goed gedrag gaan naar gelukzalige staten. Degenen zonder smetten gaan heen in Nibbana.”

 

127. In de lucht niet noch in het hart der zee noch in de diepte der bergkloven is een plek te vinden op de hele aarde waar een mens vrij kan komen van zijn kwade daad.

 

Dhp. 136 (X.6)

Het kwaad verteert de boosdoener

 

136. Een dwaas doet kwade daden onbewust, maar later kwellen zij de dader en branden hem als vuur.

 

De volmaakte heilige Maha Moggallana zag een peta in de gedaante van een grote slang, helemaal in brand. De Boeddha vertelde dat dit was vanwege de kwade daden van die peta. In de tijd van de Boeddha Kassapa was die peta een dief en wreed mens die herhaaldelijk het huis van een rijke man in brand stak. Ook stak hij het klooster in brand dat die rijke man aan de Sangha geschonken had.

136. “Als een dwaas verkeerde daden verricht, beseft hij niet de kwade aard ervan. Door zijn eigen daden wordt de domme man gekweld, zoals iemand die verbrand wordt.”

 

Dhp. 137-140

Kwellling van een arahant

 

137-140. Wie zachtmoedigen lastig valt, onschuldigen kwelt, hij zal weldra komen tot een dezer tien onheilen: hij zal hevig lijden ondervinden, verllezen, lichaamsletsel, zware ziekte, geestesstoringen, of ongenade van de koning, of een zware aanklacht of verlies van verwanten of vernietiging van schatten, of de bliksem zal zijn huis verteren, en wanneer zijn lichaam is vernietigd, komt die dwaas in de hel.

 

Te wijten aan een slechte daad tegenover zijn ouders in het verre verleden werd de Arahant Maha Moggallana bijna doodgeslagen door bandieten. Hij kon door zijn bovennatuurlijke krachten enigszins herstellen en naar het klooster gaan om eer te bewijzen aan de Boeddha. Daarna ging hij heen in Nibbana. Later werden die bandieten door de koning gevangen genomen en levend verbrand.

137-140. “Diegene die met de stok degene kwaad doet die zonder stok en onschuldig is [d.w.z. de arahant], zal spoedig tot een van deze staten komen: Hij zal onderhevig zijn aan hevige pijn, ziekte, lichamelijk letsel, of zelfs ernstige ziekten; of hij zal krankzinnig worden, of onderdrukt worden door de koning, of van iets erg beschuldigd worden, of hij zal zijn familieleden verliezen, of zijn vermogen zal vernietigd worden, of vuur zal zijn huis verbranden. Na de dood zal die onwijze man wedergeboren worden in de hel.”

[zelfs arahants moeten de gevolgen ondervinden van slechte daden. Maar zij scheppen geen nieuw kamma meer.]

 

Dhp. 157-158 (XII.1-2)

Wees waakzaam

 

Een prinselijk paar was kinderloos. De Boeddha legde uit dat zij kinderloos waren omdat zij in een vorig leven verkeerd gehandeld hadden. Na een schipbreuk strandden zij op een verlaten eiland. Daar aten zij de eieren van vogels; ook aten zij jonge en oude vogels zonder enig gevoel van wroeging. Zij waren zo zeer bezig met behoud van hun eigen leven dat zij de levens vernietigden van onschuldige vogels en hun jongen. Daarom konden zij nu geen kinderen krijgen.

157. “Als men zichzelf dierbaar is, moet men zichzelf goed beschermen. Tijdens elk van de drie nachtwaken moet de wijze man waken.”

 

158. Laat ieder eerst zlchzelf opvoeden tot wat behoorlijk is, laat hem dan anderen leren; zo zal een wijs mens zich vrijwaren voor leed.

 

Dhp. 161, 162, 163, 165 (XII.5-7, 9)

Zelf is men verantwoordelijk

 

161. Het kwaad, door iemand zelf bedreven, door iemand zelf bedacht en zelf gekoesterd, verplet de dwaas, zoals een steen door diamant wordt verbrijzeld.

 

Een devote leek luisterde de hele nacht naar de leer. 's Morgens waste hij zijn gelaat in een vijver. Een dief werd toen achtervolgd en hij gooide zijn gestolen goederen dicht bij de devote leek en vluchtte weg. De mensen dachten dat de onschuldige man de dief was en sloegen hem dood. De Boeddha legde uit dat die leek wel onschuldig was maar dat hij zo'n tragische dood ondervond ten gevolge van een vroegere slechte wilsactie. Die leek had namelijk in een vroeger leven iemand anders gedood. Daarna sprak de Boeddha over zelfverantwoordelijkheid.

161. “Door iemand zelf is het kwaad gedaan; het is zelf veroorzaakt. Kwaad slijpt de onwijze mens net zoals een diamand een harde edelsteen slijpt.”

 

162. Wiens verdorvenheid heel groot is, als een slingerplant die hem omwoekert, hij brengt zichzelf ten onder tot de staat waartoe zijn vijand hem vervloekt.

 

163. Slechte daden, schadelijk voor onszelf, zijn gemakkelijk uit te voeren; wat echter voordeel brengt en goed is, hoe uiterst moeilijk is dat.

 

165. Zelf doet men zonde, zelf is men boosgezind; zelf vliedt men de zonde, zelf is men zuiver gezind; zelf is men boos of goed; niemand anders kan verlosser zijn.

 

Dhp. 168-169 (XIII.2)

Bezoek aan Kapilavatthu

 

De Boeddha bezocht Kapilavatthu voor de eerste keer na zijn Verlichting. Hij verkondigde er de leer aan zijn verwanten. Na hem de leer te hebben horen verkondigen, vertrokken zijn verwanten. Maar door niet één werd de Leraar uitgenodigd. Bij de koning kwam weliswaar de gedachte op: “Waarheen zal mijn zoon gaan als hij niet naar mijn huis komt?”; maar hij ging naar het paleis zonder hem uit te nodigen. Toen hij evenwel de koninklijke residentie bereikte, liet hij rijstgruwel en andere soorten voedsel klaarmaken voor een grote hoeveelheid monniken. En ook liet hij zitplaatsen voor hen gereedmaken.

Toen de Leraar op de volgende dag de stad betrad om aalmoezen te ontvangen, dacht hij bij zichzelf: “Betraden de Boeddhas van het verleden bij het ingaan van de stad van hun vader rechtstreeks het huis van hun verwanten of gingen zij van huis tot huis in regulaire orde, om aalmoezen te ontvangen?” De Leraar nam waar dat zij steeds van huis tot huis gingen en ook hij begon aan het eerste huis en ging van deur tot deur, waarbij hij aalmoezen ontving. Men deelde dit aan de koning mede. Deze ging vlug uit zijn residentie, wierp zichzelf voor de Leraar neer en zei: “Zoon, waarom verneder je mij? Ik ben overweldigd door schaamte om je van huis tot huis te zien gaan voor aalmoezen. Juist in deze stad hier zou het voor jou niet passend zijn om zoiets te doen, zelfs al ging je in een gouden draagstoel om aalmoezen te vergaren. Het is een grote schande voor mij. Waarom doe je zoiets?” – “Grote koning, ik maak u niet tot schande; ik houd alleen maar de traditie van mijn afstamming hoog.” – “Maar dierbare zoon, is het een traditie van mijn afstamming om in levensonderhoud te voorzien door van huis tot huis te gaan en aalmoezen te vergaren?” – “Neen, grote koning, dat is geen traditie van uw afstamming, maar het is wel een traditie van mijn afstamming. Want ontelbare duizenden Boeddhas zijn van huis tot huis gegaan en ontvingen er aalmoezen; en zo hebben zij in hun levensonderhoud voorzien.”

       En hij sprak nog de volgende regels:

168-169. “Weest niet onoplettend wanneer u bij de deur staat voor aalmoezen. Beschouwt deze oefening zorgvuldig. Oefent deze praktijk zorgvuldig uit en niet onzorgvuldig. Degene die dit uitoefent, leeft gelukkig zowel in deze als in de volgende wereld.”

 

Dhp.173 (XIII.6)

Kwaad bedekken met goed

 

173. Alwie kwade daden bedekt met goeds daden, hij verlicht deze wereld als de maan zonder wolken.

 

Angulimala, de beruchte moordenaar, werd door de Boeddha bekeerd. Later werd hij niet alleen een monnik vol mededogen, maar hij bereikte zelfs het hoogste niveau van heiligheid. Daarna ging hij heen in de staat van Nibbāna. De monniken vroegen hoe het mogelijk was dat zo'n moordenaar een heilige was geworden. En de Verhevene antwoordde:

173. “Alwie zijn kwade daad bedekt met een goede daad, hij verlicht deze wereld zoals de maan zonder wolken.”

 

Dhp.176-177

liegen en gierigheid

 

176. Als iemand de ene wet overtreedt en leugens spreekt en spot met de andere wereld, dan is er geen misdrijf waartoe hij niet kan komen.

 

177. Die gierig zijn, gaan niet naar de wereld der goden; dwazen enkel prijzen liefdadigheid niet; een wijs mens vermeit zich in liefdadigheid en wordt daardoor in de andere wereld gezegend.

 

Dhp.219-220 (XV.9)

Verdiensten verwelkomen de deugdzame

 

Nandiya, een devote en rijke persoon hoorde de preken van de Boeddha over het voordeel van het bouwen van kloosters voor de bhikkhus. Daarom liet hij te Isipatana het Mahavihara klooster bouwen. Toen het klooster klaar was, bood hij het aan de Boeddha aan. Terstond rees een herenhuis voor Nandia op in de Tavatimsa hemel. Nog voor zijn dood was een plaats in de hemelse wereld voor hem gereed om hem te ontvangen. De Boeddha sprak toen de versen:

219. “Iemand die lang afwezig was en veilig van verre terugkeert, wordt door zijn verwanten, vrienden en goede kennissen verwelkomd.

220. Evenzo zullen de goede daden van iemand die goed doet hem ontvangen die van deze wereld naar de volgende is gegaan, zoals verwanten die een dierbare ontvangen bij zijn terugkeer.”

 

Dhp.221 (XVII.1)

Geef boosheid op

 

De zuster van de eerwaarde Anuruddha leed aan een huidziekte. Op advies van haar eerwaarde broer liet zij een zaal bouwen waar de mensen bijeen konden komen en verdienstelijke daden konden verrichten. Kort erna werd zij weer beter. De Boeddha legde uit dat haar huidziekte te wijten was aan jaloersheid en boosheid. Eens was zij de hoofdkoningin van Banaras. Zij was toen erg jaloers op de favoriete danseres van de koning. Zij liet jeukpoeder in het bed en tussen de lakens van de danseres strooien en ook over de danseres. Zo vernederde zij haar. En de Boeddha sprak het vers:

221. “Men moet boosheid opgeven. Men moet hoogmoed opgeven. Men moet alle boeien overwinnen. Hecht niet aan geest en lichaam en wees aldus vrij van leed.”

 

Dhp.224 (XVII.4)

De weg naar de hemel

 

Eens bezocht de eerwaarde Maha Moggallāna*1] de wereld van de goden (devas). En hij zag dat veel goden er in luxueuze herenhuizen leefden. Hij vroeg hun welke goede daden zij verricht hadden dat zij in de godenwereld herboren waren. Zij gaven hem verschillende antwoorden. Een van hen zei dat hij in de godenwereld herboren was omdat hij steeds de waarheid had gesproken. Een vrouwelijke godheid zei dat zij daar was herboren omdat zij als hulp in de huishouding niet boos was geworden op haar baas. Zij had ook geen kwaadwil jegens hem gekoesterd hoewel hij haar vaak had geslagen en had uitgescholden. Vanwege het feit dat zij zich had beheerst en zonder haat alles had verdragen, was zij in de godenwereld wedergeboren. Weer anderen waren in de godenwereld herboren omdat zij iets dat binnen hun mogelijkheden lag, gegeven hadden voor het welzijn van anderen.

Bij zijn terugkeer uit de godenwereld vroeg de eerwaarde Maha Moggallāna aan de Boeddha of het mogelijk was door zulke nietige dingen, zoals het spreken van de waarheid of het geven van kleine bedragen of geringe gaven, zulke grote voordelen te verkrijgen. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Heb je niet zelf met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord wat de goden zeiden? Er mag bij jou geen enkele twijfel over bestaan. Zelfs kleine daden van verdienste voeren iemand beslist naar de wereld van de goden.”

      En verder sprak hij:

224. “Men moet de waarheid spreken. Men moet niet boos worden. Men moet geven zelfs van een karige voorraad aan degene die vraagt. Over deze drie paden kan iemand in de godenwereld komen.”

_____

*1] Deze eerwaarde was beroemd vanwege zijn grote bovennatuurlijke krachten.

 

Dhp.240 (XVIII.3) en Dhp.306-307, 314-315.

Het slechte ruïneert zichzelf

 

Een jonge monnik leed aan indigestie en stierf met een sterk gevoel van gehechtheid aan zijn nieuwe gewaad. Tengevolge daarvan werd hij wedergeboren als een insect. De Boeddha sprak toen over de slechte gevolgen van begeerte.

240. “Net zoals roest in ijzer ontstaat en het ijzer wegvreet waaruit het ontstaan is, juist zo voeren de eigen daden de overtreder naar staten van ellende.”

 

306. Wie leugens spreekt, gaat naar de hel, en ook wie, iets gedaan hebbende, zegt "Ik heb het niet gedaan". Na de dood vergaat het beiden gelijk. Het zijn mensen met slechte daden in het hiernamaals.

 

Dhp. 307 (XXII.2) Corrupte monniken lijden

 

De eerwaarde Moggallana zag vijf petas die leken op een skelet, geheel in brand. De Boeddha legde uit dat die petas in een vroeger leven monniken waren geweest met een slechte levenswijze.

307. “Velen met een geel gewaad hebben een slecht karakter en zijn onbeheerst in gedachten, woorden en daden. Kwaaddoeners worden ten gevolge van hun slechte daden wedergeboren in een staat van ellende.”

 

314. Een kwade daad is beter ongedaan, want zij brengt naderhand berouw; een goede daad is beter volvoerd, want zij berouwt niet.

 

315. Als een grensvesting, wel bewaakt binnen en buiten, laat men zo zichzelf bewaken. Geen ogenblik moet ontglippen. Want als het juiste verzuimd wordt, lijdt men daarvoor smart in de hel.

 

3. Udāna

3. Udāna

 

Het Udāna bestaat uit acht vaggas (secties) met in totaal 80 udānas. Dit zouden korte uitspraken zijn van de Boeddha of van zijn voornaamste discipelen. Die uitspraken zijn meestal in versvorm. Aan elke uitspraak (udāna) gaat vooraf een verslag of verhaal in proza van de omstandigheden waarin de betreffende uitspraak is gedaan.

Teksten van deze collectie zijn ontleend aan de Khandaka. Het Udana moet daarom zijn samengesteld ná het 2e concilie.

Het is een open vraag of de meeste van deze udānas werkelijk authentieke woorden van de Boeddha zijn. De meeste van deze uitspraken zijn mogelijk de originele woorden van de Boeddha zelf of van zijn discipelen. De uitspraken zijn ongetwijfeld ouder dan de verhalen waarmee ze verbonden zijn. Misschien zijn enkele ervan vanaf het begin geassocieerd met het verhaal. Maar bij de meerderheid ervan moet de samensteller het verhaal hebben aangepast of zelf hebben uitgedacht en dan met de oude uitspraak hebben samengevoegd.

 

De acht secties zijn:

1. Bodhi-vagga. Deze sectie beschrijft bepaalde gebeurtenissen nà de Verlichting van de Boeddha. Hierin is o.a. de beroemde toespraak tot Bāhiya waarin de nadruk gelegd wordt op leven in het tegenwoordige moment.

2. Mucalinda-vagga. Deze sectie is genoemd naar de slangenkoning (nāga) die de Boeddha beschermde met zijn slangenkap.

3. Nanda-vagga. Deze sectie bevat aansporingen tot de Sangha. Er is ook de leerrede waarin de Boeddha zijn halfbroer Nanda ervan overtuigt dat het werelds bestaan leeg is.

4. Meghiya-vagga. Deze sectie is genoemd naar de eerste leerrede ervan. Meghiya negeert het advies van de Boeddha en gaat terug naar een mango bos om er te mediteren. Maar weldra wordt zijn geest bestormd met ongezonde gedachten. Hij keert naar de Boeddha terug die hem verteld dat vijf factoren ontplooid moeten worden door iemand met een onontwikkelde geest. Die vijf factoren zijn: goede vriendschap, deugdzaam gedrag, heilzaam taalgebruik, vastbeslotenheid en inzicht. In deze sectie staan ook de verhalen over Sundarī en over de eerwaarde Sāriputta toen die door een yakkha aangevallen werd.

5. Sonathera-vagga. In deze sectie o.a. het bezoek van koning Pasenadi aan de Boeddha, de leerrede tot de melaatse Suppabuddha, de uitleg van de acht eigenschappen van de Sāsana en het eerste jaar van het leven als monnik van Sona.

6. Jaccandha-vagga. Deze sectie bevat o.a. de zinspeling van de Boeddha op zijn parinibbana, het tweegesprek met Pasenadi, en het verhaal van de koning die blindgeborenen een olifant liet betasten en beschrijven. Een voorbeeld van gedeeltelijke verwerkelijking van de waarheid.

7. Cūla-vagga. Hierin staan kleinere episoden hoofdzakelijk over individuele monniken.

8. Pātaligāma-vagga. In deze sectie staat o.a. de welbekende definitie van Nibbāna als zijnde ongeboren, niet ontstaan, niet geschapen, niet samengesteld. Ook is er het verhaal over de laatste maaltijd van de Boeddha en zijn aansporing tot de eerwaarde Ānanda over de goudsmid Cunda. Erin staat eveneens het verhaal over het bezoek aan Pātaligāma waar de Boeddha de vijf voordelen van het voeren van een zuiver leven en de vijf nadelen van het tegendeel uiteenzette.

 

Enkele teksten uit het Udana en het commentaar erop.

Enkele teksten uit het Udana en het commentaar erop.

 

Ud. 1.1.

Te Uruvela zat de Boeddha zeven dagen aan de voet van de Bodhi boom, in het genot van de zaligheid van de bevrijding. Op het einde van die periode sprak hij:

"Wanneer de waarheid duidelijk wordt aan de vurig mediterende brahmaan [de Boeddha], verdwijnen alle twijfels omdat hij het oorzakelijk ontstaan van alles begrijpt."

 

Ud. 1.5.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het park van Anathapindika. Toen gingen de eerwaarden Sâriputta, Mahâ Moggallâna, Mahâ Kassapa, Mahâ Kaccâyana, Mahâ Kotthita, Mahâ Kappina, Mahâ Cunda, Anuruddha, Revata, Devadatta en Ânanda naar de Boeddha toe. Deze zag hen van verre naderbij komen. Toen zij bij hem waren, zei hij: "Monniken, hier komen brahmanen."

Na deze woorden vroeg een monnik die tot de kaste van de brahmanen behoord had, aan de Boeddha in hoeverre iemand een brahmaan is en welke eigenschappen iemand tot brahmaan maken.

Het antwoord van de Boeddha luidde: "Degenen die al het kwaad hebben ontzegd, die steeds bezonnen zijn, die de boeien hebben verbroken en die verlicht zijn, zij zijn de brahmanen in deze wereld."

 

Hieruit zou men de gevolgtrekking kunnen maken dat bovengenoemde eerwaarde monniken allemaal ware brahmanen waren, dat zij allemaal volmaakte heiligen waren. Maar Devadatta had toen zeker niet dat niveau van heiligheid bereikt. Dat Ânanda toen al volmaakt heilig was, is uit het bovenstaande niet op te maken.

 

Ud.I.9. Zuiverheid

Dat zuiverheid, reinheid, heiligheid niet verkregen wordt door wassing met water, maar door een juiste levenswijze, toont het volgende.

 

Bij een zekere gelegenheid vertoefde de Gezegende nabij Gayā. Daar was ook een groot aantal asceten. In de koude winternachten, gedurende een week vóór en een week na volle maan, doken zij in het water. Ook brachten zij brandoffers. Zij dachten dat zij op die manier zuiverheid kregen. De Verhevene zag al die asceten zo bezig en bij die gelegenheid sprak hij het vers:

“Niet door water is men zuiver, al nemen velen hier ook een bad. Diegene is zuiver en een brahmaan, in wie waarheid is en Dhamma.”

 

Ud.I.10

“Als de heilige in diepe, stille uren van gedachten de waarheid achterhaalt, dan is hij vrij van vreugde en van leed, en van vorm en vormloze staten eveneens. Waar water, aarde, vuur en lucht geen post vatten, daar branden geen lichtende sterren, noch schijnt er de zon. En de maan schijnt er niet met haar schitterende stralen. Maar het tehuis van de duisternis is daar niet.”

 

Ud.IV.1

“Waarneming van niet zelf bereikt het punt waarop de waan verdwijnt van ‘ik ben’; en dat verdwijnen van die waan is de uitdoving (Nibbāna) hier en nu.”

 

Ud. V.1

Koninging Mallikā was de hoofdvrouw van koning Pasenadi. Zij was de dochter van een guirlanden-maker te Sāvatthi. Op zekere dag keerde zij terug van de bazaar met een cake. Die wilde zij in de bloementuin opeten. Maar zij zag de Verhevene met zijn gevolg aankomen op zijn tocht voor bedelspijs. Uit devotie gaf zij hem de cake. Op verzoek van de Verhevene spreidde de eerwaarde Ānanda een oppergewaad uit waarop de Verhevene ging zitten en de cake nuttigde. De Boeddha zei toen glimlachend dat als gevolg van die daad Mallikā nog diezelfde dag de hoofdvrouw van de Kosala-koning zou worden.

De koning was toen verslagen in een strijd tegen zijn neef te Kāsigāma.*1] Hij kwam in de stad terug en ging de bloementuin binnen om er te wachten op een deel van de strijdkrachten. Toen Mallikā zag dat hij de koning was, verzorgde zij hem goed. De koning liet haar vader komen en maakte haar tot zijn hoofdvrouw.

Op een dag vroeg de koning wie haar het dierbaarst was. Hij dacht dat zij hem zou noemen. Maar haar antwoord was dat niemand anders haar dierbaar was dan zij zelf. Zij bedoelde dat men alles doet uit eigenbelang. En op haar beurt vroeg zij aan de koning of hem iets dierbaarder was dan hem zelf.

De koning ging toen naar de Boeddha toe, vertelde wat er gebeurd was, en kreeg als antwoord:

"Wanneer men met de geest alle richtingen doorkruist, dan vindt men niemand die dierbaarder is dan zichzelf. Evenzo houdt iedereen zichzelf het dierbaarste. Daarom moet iemand die zichzelf liefheeft, een ander geen schade toebrengen."

_____

*1] Kāsigāma was een dorp dat aan Bimbisāra gegeven werd door Pasenadi’s vader Mahākosala, toen Bimbisāra diens dochter trouwde.

 

Ud. VIII.1-4.

Eens verbleef de Gezegende te Savatthi, in het park van Anathapindika. Bij die gelegenheid onderwees hij de monniken met een leerrede over Nibbāna. En die monniken luisterden vol aandacht en met open oren naar de leer; mentaal namen zij alles op. De woorden van de Verhevene luidden:

“Monniken, er bestaat die toestand waarin noch aarde is noch water, noch vuur noch lucht. Daarin is noch de sfeer van oneindige ruimte noch van oneindig bewustzijn noch van nietsheid noch van noch-bewust-noch-niet-bewust-zijn. Daarin is noch deze wereld noch een wereld aan gene zijde noch beide samen, noch maan en zon. Monniken, van daar is er geen wording tot geboorte, zo verklaar ik. Daarheen is geen gaan (vanuit leven); daarin is geen duur; van daar is geen vallen; daar is geen ontstaan. Het is niet iets dat bevestigd is, het beweegt niet verder, het is niet op iets gebaseerd. Waarlijk, dat is het einde van lijden.”

En hij vervolgde met de woorden: “Moeilijk is het oneindige te zien; waarheid is niet iets gemakkelijks om waar te nemen; begeerte is doorstoken door hem die weet; voor hem die ziet, blijft er niets over.”

En verder sprak hij: “Monniken, er is een ongeboren, een niet-ontstaan, ongeschapen, niet-samengesteld iets. Monniken, indien dat ongeborene, niet-ontstane, ongeschapene, niet-samengestelde er niet was, zou een ontsnapping vanuit dit hier wat geboren, ontstaan, geschapen, samengesteld is, niet waarneembaar zijn.”*1]

       En hij eindigde met de woorden: “Voor degene die zich vasthecht, is er wankelen; voor degene die zich niet vasthecht, is er geen wankelen. Als er geen wankelen is, is er kalmte. Als er kalmte is, is er geen zich neigen. Als er geen neiging is, is er geen komen-en-gaan (naar geboorte). Als er geen komen-en-gaan is, is er geen sterven-en-wedergeboorte. Als er geen sterven-en-weder-geboorte is, is er geen ‘hier’ of ‘ginds’ noch iets tussen die twee. Dit waarlijk is het einde van lijden.”

_____

*1] vergelijk ook Itivuttaka 43, met nagenoeg gelijkluidende woorden.

 

Udana 8.6.

Eens ging de Verhevene op weg naar Pātaligāma*1] samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen kwam het de toegewijde mensen van Pātaligāma ter ore: “Het schijnt dat de Verhevene te Pātaligāma is aangekomen.” En zij kwamen naar de Verhevene toe, groetten hem vol eerbied, gingen terzijde neerzitten en spraken hem toe met de woorden: “Heer, moge het de Verhevene behagen om ons rusthuis te bezoeken.”*2] Door zijn zwijgen stemde de Gezegende toe.

Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, stonden de toegewijde mensen van Pātaligāma van hun zitplaatsen op. Zij groetten de Verhevene vol eerbied en gingen, met hun rechter zijde naar hem toegewend, naar het rusthuis. Zij maakten de zaal ervan gereed door de vloer ervan helemaal te bedekken. Zij maakten zitplaatsen klaar en stelden water en een olielamp gereed. Nadat zij dit gedaan hadden, keerden zij naar de Verhevene terug, groetten hem vol eerbied en gingen naast hem staan. Daarna deelden zij hem mede: “Heer, de zaal is gereed, de vloer ervan is helemaal bedekt. Zitplaatsen zijn klaargemaakt en water en een olielamp zijn gereed gezet. Heer, nu is het tijd voor de Verhevene om te doen wat hij passend vindt.”

En de Verhevene maakte zich gereed, nam zijn nap en oppergewaad en begaf zich naar de zaal samen met de gemeenschap van monniken. Hij waste zijn voeten,*3] betrad de zaal en ging dicht bij de middenzuil zitten, met het gelaat naar het oosten gewend. Ook de monniken betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen zitten nabij de westelijke muur, met het gezicht naar het oosten, zodat de Verhevene voor hen was. En de toegewijde mensen van Pātaligāma betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen neerzitten nabij de oostelijke muur, met het gezicht naar het westen, zodat de Verhevene voor hen was.

Daarop sprak de Verhevene de toegewijde mensen van Pātaligāma aldus toe: “Gezinshoofden, de immorele mens ontmoet door zijn gebrek aan deugdzaamheid vijf gevaren: a) groot verlies van rijkdom door zijn onoplettendheid; b) een slechte reputatie; c) een verlegen houding, een verstoord gedrag en gebrek aan zelfvertrouwen in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een dood in verbijstering; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een sfeer van ellende, in een ongelukkige staat, in de lagere wereld, tot zelfs in de hel. Maar, gezinshoofden, vijf zegeningen komen tot een oprecht mens door zijn uitoefening van deugdzaamheid: a) grote toename van rijkdom door zijn ijver; b) een gunstige reputatie; c) een zelfverzekerd gedrag zonder verlegenheid in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een onverstoorde dood; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een gelukkige staat, tot zelfs in een hemelse wereld.”

En de Verhevene besteedde een groot deel van de nacht met het onderrichten van de toegewijde mensen van Pātaligāma in de leer. Hij wekte hen op, stichtte en verblijdde hen. Daarna zond hij ze weg met de woorden: “De nacht is ver voortgeschreden, gezinshoofden; handelt nu zoals jullie passend vinden.” – “Ja, Heer.”

En de toegewijde mensen van Pātaligāma stonden van hun zitplaatsen op, groetten de Verhevene vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend. En weldra na hun vertrek trok de Verhevene zich terug in afzondering.*4]

Op die tijd lieten Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha,*5] een vesting bouwen te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis. En in grote aantallen, in duizendtallen, hadden godheden*6] bezit genomen van plaatsen*7] te Pātaligāma. Nu oefenen godheden van grote macht zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van grote macht,*8] dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van middelmatige macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van mindere macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van mindere macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten.*9]

En met het hemelse oog dat zuiver is en dat het vermogen van mensen te boven gaat, zag de Verhevene die godheden in duizendtallen te Pātaligāma. Voordat de nacht was verstreken, stond hij bij het ochtendgloren op en sprak tot de eerwaarde Ānanda aldus: “Ānanda, wie is bezig met het oprichten van een vesting te Pātaligāma?” – “Heer, Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha, zijn bezig met het bouwen van een vesting te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis.” – “Ānanda, het is alsof Sunīdha en Vassakāra overleg hadden gepleegd met de goden van de Drieëndertig.*10] Want Ānanda, ik zie met het hemelse oog dat zuiver is en dat het menselijke vermogen te boven gaat, een groot aantal godheden, in duizendtallen. Die godheden hebben bezit genomen van plaatsen te Pātaligāma. In de streek waar godheden van grote macht overheersen, daar zijn ambtenaren van grote macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar zijn ambtenaren van middelmatige macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van geringe macht overheersen, daar zijn ambtenaren van geringe macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. Waarlijk, Ānanda, van alle plaatsen van edelen*11] en van alle handelscentra zal deze vesting de belangrijkste stad zijn, met naam Pataliputta.*12] Maar Ānanda, ze zal bedreigd worden door drie gevaren: vuur, water en onenigheid.”*13]

Toen begaven Sunīdha en Vassakāra zich naar de Verhevene, groetten hem hoffelijk en wisselden vele aangename woorden. Zij gingen terzijde staan en spraken tot de Verhevene aldus: “Moge het de eerwaarde Gotama behagen om samen met de gemeenschap van monniken onze uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen.” En door zijn zwijgen stemde de Verhevene toe.

Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, vertrokken Sunīdha en Vassakāra naar hun eigen verblijven. Daar lieten zij uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen klaarmaken. En toen het tijd was, deelden zij de Verhevene mede: “Het is tijd, eerwaarde Gotama; de maaltijd is gereed.”

Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam zijn nap en gewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Sunīdha en Vassakāra. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En Sunīdha en Vassakāra bedienden zelf de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Boeddha. En zij dienden hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen. Toen de Verhevene zijn maaltijd beëindigd had en zijn hand van zijn nap had weggenomen, namen zij lagere zitplaatsen en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene dankte hen met deze strofe:

 

      “Waar een wijs mens ook moge verblijven,

      laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,

      die vol zelfbeheersing het goede leven voeren.

      En wanneer hij aan deze waardige personen gaven heeft geschonken,

      deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.

      En aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer

      en zijn hem goedgunstig gezind,

      juist zoals een moeder is jegens haar eigen, haar enige zoon.

En degene die aldus door de goden geliefd is en hun gunst geniet,

ziet steeds geluk.”*14]

_____

*1] Pātaligāma was de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna.

*2] Rusthuis: Naar men zegt kwamen de aristocraten van Ajātasattu en die van de Licchavi koningen van tijd tot tijd samen te Pātaligāma en verdreven de bewoners van die plaats uit hun woningen. Zij bleven er dan een halve tot een hele maand en dat bracht veel ongemak voor de gezinnen. Daarom besloten de bewoners van Pātaligāma een grote hal te bouwen in het centrum van de stad. Die hal moest groot genoeg zijn dat iedereen er kon verblijven zonder anderen te storen. Een deel van de hal was bestemd om de goederen van de aristocraten op te slaan. Een ander deel ervan was om er te wonen. Weer een ander deel was voor reizigers op doortocht, en een ander deel was voor arme mensen. Een ander gedeelte van de hal was voor de zieken. De naam van die hal was “het rusthuis”. Aldus het commentaar van Dhammapāla en ook van Buddhaghosa.

Volgens Dhammapāla was dat rusthuis juist klaar op de dag dat de Verhevene aankwam. De bewoners van Pātaligāma vonden het een grote eer als de Verhevene als eerste in hun rusthuis vertoefde. Daarom gingen zij naar de Boeddha toe en nodigden hem uit om het rusthuis te bezoeken. Volgens Buddhaghosa vroegen zij dit omdat zij dachten dat de Boeddha niet graag midden in een dorp of stad wilde vertoeven.

*3] Volgens Dhammapāla was het wassen van de voeten niet nodig omdat stof en zweet nooit de voeten van de Verhevene bezoedelen.

*4] De tekst van de voorspelling van de Boeddha dat Pātaligāma een grote toekomst zou krijgen, moet stammen uit de tijd dat Pataliputra reeds een grote stad was. Dit moet dan de vroege Maurya-tijd zijn.

*5] Zij waren twee brahmanen.

*6] Volgens Gnanarama is aan te nemen dat de oorsprong van deze alinea dateert uit de eerste 100 jaren na het overlijden van de Boeddha.

*7] Volgens Buddhaghosa heeft ‘plaatsen’ hier de betekenis van: ‘huizen’.

*8] De eerwaarde Ñanamoli vertaalde: ‘koningen en ministers’.

*9] Er was (en is) het populaire geloof dat goede en slechte goden bezit kunnen nemen van huizen. Deze ‘kwakzalver’-wetenschap wordt vaak in de leerreden veroordeeld. Buddhaghosa merkte op dat mensen die deskundig zijn in het bepalen van een goede plek voor de bouw van huizen door godheden of door geesten beïnvloed worden. Of godheden nemen bezit van hun lichaam en beïnvloeden hun gedachten. Het commentaar van Dhammapāla is dat het gemoed van degenen die bekwaam waren in de kennis van het vaststellen van gunstige woonplaatsen ernaar neigden om woonplaatsen te ontwerpen voor de koning en zijn hoofdministers. Zij wisten welke plaats bezet was door nāgas, welke door yakkhas, en welke plaats bezet was door ongelukkige geesten. Zij waren ook bekend ermee of er een rots was of de stomp van een boom. Een andere uitleg van Dhammapāla is dat devatās het lichaam van de deskundigen binnentreden en hun harten ertoe laten neigen om op een bepaalde plaats gebouwen te ontwerpen. Devatās doen dat om de volgende reden: Wanneer mensen plannen maken voor een woonplaats, laten zij eerst de Orde van de monniken neerzitten en laten hen een gunstige zegening uitspreken. De godheden zien dan wie een goede moraal heeft en horen een Dhamma-toespraak. De mensen geven aalmoezen en dragen de verdiensten ervan over aan de godheden.

*10] Volgens Dhammapāla’s commentaar deed het gerucht de ronde dat de goden van de Drieëndertig wijs waren dank zij Sakka, de koning van de goden, en dank zij Vissakamma. Vissakamma was de goddelijke architect en kunstenaar.

*11] Ariyas.

*12] Pātaligāma betekent: ‘plaats van Pātali’; Pātaliputta wordt door het commentaar als volgt uitgelegd: putta stamt af van ‘puta’ = doos. Het heeft vermoedelijk betrekking op het openbarsten van de zaaddoos van de Patali-bloem. Het dorp Pātaligama veranderde zijn naam in Pātaliputta bij de bouw van een nieuwe stad (thans Patna). Later werd die plaats bekend als de hoofdstad van Asoka’s keizerrijk dat ontstaan was uit het koninkrijk van Magadha.

*13] Commentaar van Dhammapāla: een deel van de stad zal door vuur verwoest worden dat door de inwoners niet gedoofd kan worden. De Ganges zal een ander deel overstromen. En een derde deel zal verloren gaan door interne onenigheid. Volgens An moet deze voorspelling zijn opgeschreven nadat Pātaligāma verwoest was.

*14] Hier wordt men verzocht gaven te geven aan de deugdzamen en de verdiensten ervan over te dragen aan de goden. Dit gebruik gaat terug tot pre-boeddhistische tijden. Oorspronkelijk werd geld gegeven of een gave aan de priester als beloning voor zijn diensten. Nog tijdens het leven van de Boeddha veranderde dit. Benodigdheden voor monniken werden aangeboden en de verdiensten ervan werden overgedragen aan de overleden verwanten of aan de goden.

De eerwaarde Dr. Talawe Sangharata Thero, hoofd van de Pitaramba Tempel te Bentota, Sri Lanka, wees erop (brief van 28-06-1995) dat er goddelijke sferen zijn die dicht bij de menselijke sfeer zijn. Als wij verdiensten aan hen overdragen, worden zij nog gelukkiger. Zij vermijden moeilijkheden die door geesten over ons gebracht kunnen worden.

 

4. Itivuttaka

4. Itivuttaka

 

De naam Itivuttaka betekent: “Zo is het gezegd.” Alle suttas van dit boek beginnen met die woorden. In het Itivuttaka is hetzelfde idee zowel in proza als in vers verteld. Het schijnt dat het proza een verklaring is van de verzen. Het werk bestaat uit 112 korte stukken. Volgens het commentaar zijn de suttas verzameld door de vrome vrouwelijke lekendiscipel Khujjutāra, een dienares aan het koninklijk paleis te Kosambi. Zij had het eerste niveau van heiligheid bereikt en bekeerde de vrouwen van het paleis. Wat zij van de Boeddha leerde, herhaalde zij later. Zo zou het Itivuttaka zijn ontstaan. Het is verdeeld in vier nipātas of collecties die handelen over de ethische leer van de Boeddha. Die vier nipātas zijn: Ekaka-nipāta, Duka-nipāta, Tika-nipāta en Catukka-nipāta.

 

Ekaka-nipāta. Deze collectie is verdeeld in drie secties (vaggas). Begeerte, kwaadwil, illusie, toorn, wrok, hoogmoed, onwetendheid, vurig verlangen, tweespalt, liegen, gierigheid worden er veroordeeld. En oplettendheid, omgang met de wijze, eendracht, geestelijke vrede, geluk, vlijt, edelmoedigheid en liefdevolle vriendelijkheid worden er geprezen.

 

Duka-nipāta. Deze collectie is verdeeld in twee secties (vaggas). Toegelicht wordt er dat men waakzaam moet zijn wat betreft de zintuigen en dat men gematigd moet zijn met eten. Eveneens worden er toegelicht bekwame daden, gezonde gewoontes en juiste inzichten, kalmte en afzondering, schaamte en vrees, de twee soorten van Nibbāna en de deugden die verkregen worden door een energiek ascetisch leven.

 

Tika-nipāta. Deze collectie is verdeeld in vijf secties (vaggas). Omschreven worden er factoren die drievoudig zijn: slechte grondslagen, elementen, gevoelens, verlangens, smetten, etc. En verkondigd wordt er het ideale leven van een monnik.

 

Catukka-nipāta. In deze collectie wordt de nadruk gelegd op factoren die viervoudig zijn: benodigdheden voor een monnik, de vier edele waarheden, etc. Eveneens wordt er benadrukt dat een monnik zuiverheid van geest moet cultiveren.

Een groot deel van het 4e nipata schijnt ontleend te zijn aan passages elders in de canon. Dit doet vermoeden dat deze collectie later is toegevoegd.

 

Enkele teksten uit het Itivuttaka

Enkele teksten uit het Itivuttaka

 

It.1-13. Niet-wederkeer

 

It.1. Begeeerte, hevig verlangen moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer (anâgamitâ) te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze begeerte af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van begeerte, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.2. Haat, hevige afkeer moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze haat af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van haat, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.3. Onwetendheid, waan moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze onwetendheid af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van onwetendheid, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.4. Toorn moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze toorn af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van toorn, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.5. Huichelarij moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze huichelarij af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van huichelarij, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.6. Verwaandheid, eigendunk (mâna) moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze verwaandheid af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van verwaandheid, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.

 

It.7. Wanneer men het "alles"[1] niet herkent en niet precies begrijpt, en wanneer de geest zich er niet van ontzegt, zich er niet van losmaakt, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden. Maar herkent en begrijpt men het "alles", dan is men in staat tot vernietiging van lijden.

Wie het alles alzijdig herkent en geen behagen meer schept in alle dingen (attha), die is waarlijk ontkomen aan alle lijden, omdat hij het alles precies heeft begrepen.

_____

[1] "Wat is het alles? - Oog en vormen, oor en geluiden, neus en wat geroken kan worden, tong en proefbare dingen, lichaam en tastbare dingen, denken en gedachten - dat noemt men het alles." (S.XXXV.23)

 

It.8. Wanneer men verwaandheid, eigendunk niet herkent en precies begrijpt, en wanneer de geest zich er niet van ontzegt, zich er niet van losmaakt, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden. Maar herkent en begrijpt men verwaandheid, eigendunk, dan is men in staat tot vernietiging van lijden.

Bezeten door verwaandheid, eigendunk, is dit geslacht, geboeid door eigendunk. En dit geslacht heeft zijn lust in het steeds weer geboren worden.[2] Wie eigendunk niet grondig herkent, zal tot nieuwe geboorte komen. Maar wie eigendunk heeft afgelegd en vrij ervan is, die is, als overwinnaar van de boei van eigendunk, aan alle lijden ontkomen.

_____

[2] Steeds weer geboren worden (bhava) : Het Boeddhisme kent geen blijvend, onveranderlijk Zijn, maar slechts een ontstaan-veranderen-vergaan, dus een eeuwig worden. De verschijnselen hier zijn niets anders dan veranderende processen die ontstaan en vergaan. Dit worden geschiedt in drie sferen: in de sfeer van de zinnen, in de sfeer van vormen, in de vormloze sfeer.

 

It.9. Wanneer men de begeerte niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest haar niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De begeerte door welke de wezens de euvele weg gaan, deze begeerte leggen wijzen af, haar volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

 

It.10. Wanneer men de haat niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De haat door welke de wezens de euvele weg gaan, deze haat leggen wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

 

It.11. Wanneer men de onwetendheid niet precies herkent en niet begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De onwetendheid door welke de wezens de euvele weg gaan, deze onwetendheid leggen de wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

 

It.12. Wanneer men de toorn niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De toorn door welke de wezens de euvele weg gaan, deze toorn leggen de wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

 

It.13. Wanneer men de huichelarij niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest haar niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De huichelarij door welke de wezens de euvele weg gaan, deze huichelarij leggen de wijzen af, haar volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

 

It.14-15. Hindernissen

 

It. 14. Ik zie geen andere hindernis (nivarana) door welke de wezens lange tijd de kringloop van wedergeboorten doorlopen, dan de hindernis van onwetendheid.1

Maar wie zich van de verblinding2 ontdaan en de duisternis doorbroken hebben, zij dolen niet meer verder; hun oorzaak is niet meer te vinden.3

_____

1V gl. Ud.1. 1-3; D.33; .2; It. 56-57.

2 Zie over onwetendheid (avijja) en verblinding (moha) Dhp. 390 en Dhp. 1061.

3 d.w.z. alle factoren die naar een nieuw bestaan voeren, zijn afgesneden, zijn niet meer aanwezig.

 

 

It.15. Ik zie geen andere boei4 door welke de wezens lange tijd de kringloop van wedergeboorten doorlopen, dan de boei van de begeerte.5

Nadat hij het ontstaan van de begeerte als lijden heeft ingezien, moge die bezonnen discipel, vrij van begeerte en zonder te hechten, een zuiver leven voeren.

_____

4 Boei = samyojana; zie A.X.13 over de tien boeien.

5 Tanha, letterlijk: dorst.

 

 

It.26. Geven - Dāna Sutta

De Boeddha sprak: "Als de wezens het loon voor het verdelen van gaven zouden kennen zoals ik, dan zouden zij niets genieten zonder iets ervan gegeven te hebben; en de smet van gierigheid zou hun hart niet omsponnen houden. Zelfs de laatste hap, de laatste brok zouden zij niet genieten zonder daarvan uit te delen indien zij een ontvanger ervoor hadden. Maar omdat de wezens het loon voor het uitdelen van gaven niet zo kennen zoals ik, daarom genieten zij ook zonder iets gegeven te hebben; en de smet van de gierigheid houdt hun hart omsponnen."

 

"Als, zoals de Grote Ziener zegt,

het loon van het geven van gaven

en hoe groot de vrucht ervan is,

aan de wezens bekend was,

 

dan vermeden zij de smet van gierigheid

en gaven zij met heel opgewekt gemoed

aan de edelen, wanneer het passend was,

daar waar de vrucht het grootste is.

 

Degenen die rijkelijk voedsel gaven,

een offer voor de waardigen,

die mensen gaan na de dood

als gevers naar de hemel.

 

In de hemel verheugen zij zich

in het wensgenot van het loon

van degene die gaven gaf,

omdat zij hier niet gierig waren."

 

It. 32

Als iemand twee dingen heeft, dan wordt hij wedergeboren in de hel. Die twee dingen zijn: slecht gedrag en een verkeerd inzicht.

 

It. 33

Iemand met twee dingen wordt wedergeboren in de hemel. Die twee dingen zijn: goed gedrag en een juist inzicht.

 

 

It.43.

Monniken, er is een ongeboren, ongeschapen, niet-ontstane en ongevormde sfeer. Indien zo'n sfeer er niet zou zijn, dan was een ontkomen aan wat geboren, geschapen, veroorzaakt en gevormd is, niet mogelijk. Maar omdat die sfeer er is, daarom is er ook een ontkomen aan het geborene, gevormde, geschapene, veroorzaakte.

 

It. 48

De volgende twee personen zullen naar een staat van ellende gaan, naar de hel als zij hun gedrag niet opgeven. Het is de persoon die voorgeeft een heilig leven te leiden en het is de persoon die iemand anders die het heilige leven in volledige zuiverheid voert, er vals van beschuldigd dat leven niet te leiden.

Degene die iemand vals beschuldigt, gaat naar de hel. En ook degene die de daad die hij deed ontkent.

 

It.60. Verdienste - Puññakiriyavatthu Sutta

De volgende drie dingen zijn een basis voor verdienste, namelijk:

het geven is een basis voor verdienste;

de deugdzaamheid is een basis voor verdienste;

de wijsheid is een basis voor verdienste.

 

Oefent u in verdienste,

in de beste vaardigheid naar welzijn.

 

Ontwikkel geven, juist gedrag

en een liefdevol gemoed.

 

Wie deze drie dingen koestert

die enkel met welzijn gezegend zijn,

hij of zij komt als wijze daardoor

in een veilige wereld die vol welzijn is.

 

It. 64

Er zijn drie soorten wangedrag, namelijk: verkeerd gedrag in daad, woorden en gedachten.

Als men slecht gedrag heeft uitgevoerd in daden, woorden en gedachten, en als men geen goede daad heeft gedaan, dan wordt men wedergeboren in de hel.

 

It. 65

Er zijn drie soorten goed gedrag, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten.

Als men slecht gedrag in daden, woorden en gedachten heeft opgegeven, en als men geen slechte daad heeft gedaan, dan zal men na de dood wedergeboren worden in de hemel.

 

It.69

“Wie zich vrijgemaakt heeft van begeerte, afkeer en onwetendheid, die heeft deze zee met haar haaien en demonen en met het gevaar van de golven overgestoken, deze zee die zo moeilijk is over te steken. Hij is aan de andere oever aangekomen, staat op vaste grond.”

 

It.87

“Er zijn drie heilzame gedachten waardoor wijsheid vermeerderd wordt, waardoor weten ontstaat. Die drie heilzame gedachten voeren naar Nibbāna. Het zijn:

1) De gedachte van reinheid; het vrij zijn van de lust van de zinnen.

2) De gedachte van welwillendheid; het vrij zijn van kwaadwil.

3) De gedachte van ontzien; het vrij zijn van geweld doen.

Wie deze drie gedachten koestert, brengt zijn denken dat vroeger rondzwierf, tot rust zoals de regen het stof verwijdert. Degene in wie het denken tot rust kwam, heeft reeds in dit leven de plaats van de Vrede bereikt.”

 

It.98. Twee soorten gaven.

Er zijn twee soorten gaven, namelijk materiele gave en de gave van de leer. Van deze twee is de gave van de leer de hoogste.

Er zijn twee soorten hulp, namelijk de materiele hulp en de hulp van de leer. Van deze twee is de hulp van de leer de hoogste.

 

De gave die men de hoogste, onvergelijkbaar noemt,

het geven dat door de Verhevene geprezen is,

wie wil niet graag, geheel tevreden met dit veld,

als wijze, kenner te passender tijd zo offeren?

 

Degenen die beide doen, praten en ook luisteren,

tevreden in het hart met de goed uitgelegde leer,

ernstig in de goed uitgelegde leer,

zij zuiveren zich tot het hoogste heil.

 

5. Sutta-Nipāta

5. Sutta-Nipāta

 

Inleiding

 

Het Sutta-Nipāta of de ‘kleine collectie van leringen’ bestaat uit 1149 verzen met enkele prozastukken. Ze zijn geordend in vijf vaggas met in totaal 71 suttas. De suttas zijn zowel in proza als in versvorm. Het Sutta-Nipāta is een van de belangrijkste boeken in de Khuddaka Nikāya. De taal en de stijl ervan liggen dicht bij die van de Vedas. De twee laatste hoofdstukken ervan - Atthaka Vagga en Pārāyana Vagga – zijn zó belangrijk dat het commentaar erop, de Niddesa, in de collectie van deze nikāya is opgenomen.

Op grond van taal en inhoud is te concluderen dat sommige van deze suttas teruggaan tot de begindagen van het Boeddhisme. En vele ervan moeten zijn ontstaan onder de vroegste discipelen van de Boeddha, niet lang na zijn dood. De hoofdtrekken van de latere Boeddhalegende zijn in het Sutta-Nipāta al aanwezig. Zo kunnen de legenden in het Nalaka sutta, het Pabbā sutta en het Padhāna sutta niet tot de oudste Boeddhistische traditie behoren. Ze veronderstellen al een lange geschiedenis van de Boeddhalegende. Kortom, het Sutta-Nipāta is een collectie van zeer vroege en van latere teksten.

 

De vijf vaggas zijn: Uragavagga, Cūlavagga, Mahāvagga, Atthakavagga, en Pārāyana. Hiervan zijn het Atthaka-vagga en het Pārāyana-vagga de oudste delen. Zij dateren uit de tijd van de Boeddha. De andere vaggas zijn in hun tegenwoordige vorm jonger dan de laatste twee.

 

Indeling van het Sutta-Nipata

Indeling van het Sutta-Nipata

 

I. Uraga Vagga, het boek van de slang

Genoemd naar het eerste sutta.


I.1. Uraga-Sutta, de slang (verzen 1-17)
I.2. Dhaniya Sutta (verzen 18-34)
I.3. Khaggavisāna-Sutta, de rhinoceros (verzen 35-75)
I.4. Kasi-Bhāradvāja-Sutta, de ploeger Bharadvaja (verzen 76-82)
I.5. Cunda-Sutta (verzen 83-90)
I.6. Parābhava-Sutta, achteruitgang (verzen 91-115)
I.7. Vasala-Sutta, de verschoppeling (verzen 116-142)
I.8. Mettā-Sutta, welwillendheid (verzen 143-152)
I.9. Hemavata-Sutta (verzen 153-180)
I.10. Ālavaka-Sutta (verzen 181-192)
I.11. Kayavicchandanika-Sutta of Vijaya-Sutta, beschouwing van het lichaam (verzen 193-206)
I.12. Muni-Sutta, de wijze (verzen 207-221)

 

II. Cūla-Vagga, het kleine boek

 

II.1. Ratana-Sutta, de juwelen (verzen 222-238)
II.2. Āmagandha-Sutta, ongunstig (verzen 239-252)
II.3. Hiri-Sutta, schaamte (verzen 253-257)
II.4. Mahā-Mangala-Sutta, de grootste zegeningen (verzen 258-269)
II.5. Sūciloma-Sutta (verzen 270-273)
II.6. Dhammacariya-Sutta, juist gedrag (verzen 274-283)
II.7. Brāhma-Dhammika-Sutta (verzen 284-315)
II.8. Nāvā-Sutta, de boot (verzen 316-323)
II.9. Kimsīla-Sutta, hoe moet een mens zich gedragen? (verzen 324-330)
II.10. Utthāna-Sutta, spant u in (verzen 331-334)
II.11. Rāhula-Sutta (verzen 335-342)
II.12. Vangīsa-Sutta (verzen 343-358)
II.13. Sammā-Paribbājaniya-Sutta (verzen 359-375)
II.14. Dhammika-Sutta (verzen 376-404)

 

III. Mahā-Vagga, het grote boek


III.1. Pabbajjā-Sutta, het opgeven van de wereld (verzen 405-424)
III.2. Padhāna-Sutta, de strijd (verzen 425-449)
III.3. Subhāsita-Sutta, goed gesproken (verzen 450-454)
III.4. Sundarika-Bhāradvāja-Sutta (verzen 455-486)
III.5. Māgha-Sutta (verzen 487-509)
III.6. Sabhiya-Sutta (verzen 510-547)
III.7. Sela-Sutta (verzen 548-573)
III.8. Salla-Sutta, de stekel (verzen 574-593)
III.9. Vāsettha-Sutta (verzen 594-656)
III.10. Kokālika-Sutta (verzen 657-678)
III.11. Nālaka-Sutta (verzen 679-723)
III.12. Dvayatānupassanā-Sutta, beschouwing van de twee-heid (verzen 724-765)

 

IV. Atthaka-Vagga, het boek van acht


IV.1. Kāma-Sutta, lust (verzen 766-771)
IV.2. Guhatthaka-Sutta, de grot (verzen 772-779)
IV.3. Dutthatthaka-Sutta, boosaardig (verzen 780-787)
IV.4. Suddhatthaka-Sutta, zuiver (verzen 788-795)
IV.5. Paramatthaka-Sutta, het hoogste (verzen 796-803)
IV.6. Jarā-Sutta, ouderdom (verzen 804-813)
IV.7. Tissa-metteyya-Sutta (verzen 814-823)
IV.8. Pasūra-Sutta (verzen 824-834)
IV.9. Māgandiya-Sutta (verzen 835-847)
IV.10. Purābheda-Sutta, voor het verval (verzen 848-861)
IV.11. Kalaha-Vivāda-Sutta, ruzie en tweedracht (verzen 862-877)
IV.12. Cūla-Viyūha-Sutta, de korte ontmoeting (verzen 878-894)
IV.13. Mahā-Viyūha-Sutta, de grote ontmoeting (verzen 895-914)
IV.14. Tuvataka-Sutta, snel (verzen 915-934)
IV.15. Attadanda-Sutta, geweld (verzen 935-954)
IV.16. Sāriputta-Sutta (verzen 955-975)

 

V. Pārāyana-Vagga, het boek “weg naar de andere oever”. Verhalende verzen (verzen 976-1031)

De vragen van de priesterdiscipelen


V.1. Ājita-Mānava-Pucchā (verzen 1032-1039)
V.2. Tissa-Metteyya (verzen 1040-1042)
V.3. Punnaka (verzen 1043-1048)
V.4. Mettagū (verzen 1049-1060)
V.5. Dhotaka (verzen 1061-1068)
V.6. Upasīva (verzen 1069-1076)
V.7. Nanda (verzen 1077-1083)
V.8. Hemaka (verzen 1084-1087)
V.9. Todeyya (verzen 1088-1091)
V.10. Kappa (verzen 1092-1095)
V.11. Jatukannī (verzen 1096-1100)
V.12. Bhadrāyudha (verzen 1101-1104)
V.13. Udaya (verzen 1105-1111)
V.14. Posāla (verzen 1112-1115)
V.15. Mogharāja (verzen 1116-1119)
V.16. Pingiya (Pingiya-Mānava-Pucchā) (verzen 1120-1123)
        Eindverzen 1124-1149.

 

I. Uragavagga (Sn.I. 1-12)

I. Uragavagga (Sn.I. 1-12)

 

Sn.I.1. (verzen 1-17) Uraga Sutta – De slang

De monnik die alle menselijke passies – boosheid, afkeer, hevig verlangen, etc. – ter zijde legt en vrij is van illusie en vrees, wordt er vergeleken met een slang die de huid heeft afgestroopt. Dit sutta was oorspronkelijk een afzonderlijke tekst.

 

Sn.I.2. (verzen 18-34) Dhaniya Sutta

De koeherder Dhaniya spreekt er met de Boeddha over het huiselijke leven en het leven als asceet. De zelfvoldane “veiligheid” van een wereldling wordt er gesteld tegenover de echte veiligheid van de Boeddha.

 

Sn.I.3. (verzen 35-75) Khaggavisāna Sutta – De rhinoceros

Het zwervende leven van een monnik wordt er geprezen. Gezin en sociale banden moeten vermeden worden vanwege de samsarische gehechtheden ervan. Uitgezonderd is de “goede vriend” (kalyānamitta). In dit sutta worden de idealen genoemd van een Pacceka Boeddha. Hij wordt er vergeleken met de hoorn van een neushoorn (rhinoceros). Volgens het Niddesa zijn deze verzen gesproken door paccekabuddhas.

 

Sn.I.4. (verzen 76-82) Kasibhāradvāja Sutta – De brahmaan Bharadvaja

Sociaal nuttige of wereldse arbeid wordt er gesteld tegenover de niet minder belangrijke inspanningen van de Boeddha toen hij naar nibbāna streefde.

(Deze toespraak staat ook in S.VII.11).

 

Eens (in het elfde regenseizoen) vertoefde de Verhevene in het land Magadha, te Dakkhināgiri,*1] in het brahmanendorp Ekanālā. Het was in die tijd het zaaiseizoen en 500 ploegen van de brahmaan Kasi-Bhāradvāja waren er in gebruik.*2] ’s-Morgens kleedde de Verhevene zich aan, nam nap en bovengewaad en begaf zich naar de plaats waar het werk van de brahmaan Kasi-Bhāradvāja gaande was. Het was bij de brahmaan de tijd van de uitdeling van het eten; de Verhevene ging naar hem toe en bleef naast hem staan. De brahmaan Kasi-Bhāradvāja zag de Verhevene daar op een gave staan wachten en zei tot hem: “Asceet, ik ploeg en zaai en daarna eet ik. Ook u, asceet, moet ploegen en zaaien en daarna kunt u eten.”

 

"Brahmaan, ook ik ploeg en zaai en daarna eet ik."

 

"Wij zien geen juk noch ploegschaar, geen stok om aan te drijven noch tweespan van de Verheven Gotama. Toch zegt de eerwaarde Gotama: ‘Ook ik, brahmaan, ploeg en zaai en daarna eet ik.’”

En verder sprak de brahmaan de Verhevene toe met de woorden:

“U beweert een ploeger te zijn, en toch kunnen wij uw ploeg niet zien; gevraagd naar uw ploeg en de rest, vertelt ons erover zodat wij er weet van hebben.”

 

(De Boeddha:)

“Vertrouwen is mijn zaaigoed,

en ascese is de regen;

de wijsheid is mijn juk en ploeg.

Schaamte is de disselboom

en de geest is de verbinding.

Oplettendheid is mijn ploegschaar en stok om aan te drijven.

 

Met daden en woorden bewaakt,

met het lichaam bij de maaltijd beteugeld,

gebruik ik de waarheid om te zaaien.

Door de innerlijke vrede wordt het juk losgemaakt.

 

De wilskracht is mijn tweespan.

Ze gaat daarheen

waar men na aankomst geen zorgen meer heeft.

Ze voert naar de vrijheid van de last.

Op die manier is dit veldwerk voltooid:

de vrucht ervan is het Doodloze.

Wie zo'n veldwerk heeft volbracht,

is van alle leed bevrijd.”

 

De brahmaan Kasi-Bhāradvāja vulde een grote bronzen schaal met melkrijst en bood ze de Verhevene aan met de woorden: “Moge de eerwaarde Gotama deze melkrijst nuttigen; waarlijk, de eerwaarde Gotama is een ploeger die veldwerk verricht met het Doodloze als vrucht.”

 

(De Boeddha:)

“Brahmaan, wat ik ontvang na het reciteren van verzen mag niet door mij gegeten worden. Het behoort niet tot de traditie van degenen die juist inzicht hebben. De Boeddhas wijzen af wat verkregen is door het reciteren van verzen. Brahmaan, dat is het gedrag [van Boeddhas] zolang als de Dhamma heerst.

 

Maar in andere gevallen mag u aan die grote Wijze welke volkomen, smetteloos is, en in wie bezorgdheid tot rust is gekomen, voedsel en drank aanbieden. Dat is een veld voor iemand die naar verdienste verlangt.”

 

“Eerwaarde Gotama, aan wie zal ik dan deze melkrijst geven?”

 

“Brahmaan, in de wereld met haar goden, Maras en Brahmas, met haar scharen asceten, brahmanen, goden en mensen, is er niemand door wie deze melkrijst, na nuttiging ervan, verteerd kan worden uitgezonderd door de Tathāgata of een discipel van de Tathāgata. Brahmaan, gooi daarom deze melkrijst op een plek waar geen gras is of in een poel waarin geen (zichtbare) levende wezens zijn.”

 

Hierna gooide de brahmaan de melkrijst in een poel waarin geen levende wezens waren; en de melkrijst in het water borrelde en siste, rookte en dampte. Juist zoals wanneer een ploegschaar die overdag verhit is, in het water wordt gegooid en dan rookt en dampt, sist en borrelt, evenzo rookte en dampte, siste en borrelde die melkrijst.

 

Toen ging de brahmaan Kasi-Bhāradvāja met ontzetting, met de haren te berge, naar de Verhevene toe, knielde voor hem neer, boog met zijn hoofd tot aan de voeten van de Verhevene en zei: “Voortreffelijk, Gotama, zeer voortreffelijk is uw leer. Juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Ik wil graag bij de eerwaarde Gotama de inwijding tot novice ontvangen en de hogere wijding.”

 

De brahmaan Kasi-Bhāradvāja ontving daarop van de Verhevene zowel de inwijding tot novice als de hogere wijding. Niet lang na zijn hogere wijding leefde de eerwaarde Bhāradvāja alleen, afgezonderd, energiek, ijverig en vastbesloten. En na niet lange tijd verwerkelijkte en bereikte hij door eigen inzicht, hier en nu, de hoogste volmaaktheid (Arahantschap), het einde van het edele leven omwille waarvan mensen van goede familie het huiselijke leven verlaten om het huisloze leven te leiden. ‘Geboorte is uitgedoofd, het edele leven is geleid, gedaan is wat gedaan moet worden, er is hierna verder niets meer te doen,’ aldus had hij ingezien. Zo was ook de eerwaarde Bhāradvāja een van de heiligen geworden.

_____

*1] klooster ‘Zuidberg’, ten zuiden van Rājagaha.

*2] Kasi = ploeger; Bhāradvāja is de naam van de stam. De brahmaan was blijkbaar een heerboer. Daarom de bijnaam: Kasi-Bhāradvāja.

 

Sn.I.5. (verzen 83-90) Cunda Sutta

De Boeddha somt vier soorten van samanas op: een Boeddha, een arahant, een plichtsgetrouwe monnik en een bedrieglijke, frauduleuze monnik.

 

Sn.83-90. De vier soorten asceten

 

Onder de monniken zijn niet alleen heiligen of mensen die naar heiligheid streven. Tegenwoordig zijn er corrupte, onbetrouwbare personen bij de Sangha. En ook vroeger waren er teugelloze lieden, zonder de juiste deugdzaamheid, die het gewaad van monnik als vermomming gebruikten. Het volgende verhaal uit de tijd van de Boeddha laat zien hoe onbetrouwbare, onreine monniken zijn te herkennen.

 

Eens verbleef de Verhevene te Pava. De goudsmid Cunda nodigde daar de Boeddha en de gemeenschap van de monniken uit voor de maaltijd. Tijdens het maal merkte Cunda dat een monnik zich een gouden beker toeëigende. Zonder dit voorval uitdrukkelijk te vermelden, stelde de goudsmid daarop aan de Verhevene de vraag: “Gij Wijze, Hoogste der mensen, zegt mij hoeveel soorten asceten zijn er in de wereld?” De Verhevene gaf ten antwoord: “Er zijn niet meer dan vier asceten, namelijk: (1) de meester van het pad; (2) de verkondiger van het pad; (3) degene die op het pad leeft; en (4) de verderver van het pad.”

Cunda vroeg nadere uitleg van deze woorden en de Boeddha zei verder:

“Degene die vrij is van twijfel en ook van de prikkel (van zelfzucht), die zonder verlangen is en die vreugde schept in Nibbāna, deze persoon wordt door Ontwaakten aangeduid als meester van het pad. Hij is een leider van deze wereld met haar goden. [*Volgens het commentaar is hij de verlichte asceet = de Boeddha zelf.]

Wie het hoogste [*Nibbāna] als hoogste kent en dat ook verkondigt en de leer juist uitlegt, hij heet een wijze, een vernietiger van twijfel, zonder opwelling van wensen; hij is de verkondiger van het pad. [*Volgens het commentaar is hij de smetvrije asceet, de heilige].

Wie op het spoor leeft van deze leer welke zo goed verkondigd is, wie op het pad leeft, beteugeld en oplettend, wie onberispelijke wegen bewandelt, hem noemt men iemand die op het pad leeft. [*Volgens het commentaar: iemand die zich in de eerste drie niveaus van heiligheid bevindt, of iemand die een deugdzame leek is.]

Wie de kleding van deugdzamen aanneemt, zich voordringt, brutaal is, een bederver van gezinnen, een huichelaar, en wie teugelloos en praatziek, vermomd rondloopt, die is een verderver van het pad. [*Hij is de schijn-asceet, de schijn-heilige. Volgens het commentaar verderft hij het vertrouwen (in monniken) door zijn gedrag.]

Als de ervaren, wijze leek die een volgeling is van de edelen, de aard van deze vier soorten personen heeft doorzien, dan weet hij dat niet allen gelijk zijn aan de laatste. Omdat hij dit inziet, verlaat hem het vertrouwen niet. Hoe ook zou hij de onverdorvene gelijk kunnen stellen aan de verdorvene; hoe de reine aan de onreine?!”

 

Sn.I.6. (verzen 91-115) Parābhava Sutta – Leerrede over de oorzaken van achteruitgang

 

Inleiding

Na de leerrede over de zegeningen (het Maha Mangala sutta) gehoord te hebben, die handelt over datgene wat voert tot vooruitgang en voorspoed, dachten de goden bij zichzelf: “De Boeddha heeft ons over de zegeningen verteld, maar niet over het verval, de achteruitgang van iemand. Zouden wij niet naar hem toe gaan en hem vragen over dingen die tot achteruitgang leiden!” Dus kwamen de goden op de dag na de leerrede over de zegeningen bijeen en een van hen stelde onderstaande vragen. (Aldus het commentaar).

 

De leerrede over de oorzaken van achteruitgang

 

Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi, in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Toen de nacht was voortgeschreden, kwam een zekere god wiens uitmuntende schittering het hele Jetavana-klooster verlichtte, tot bij de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde staan. En hij richtte zich tot de Verhevene met het vers:

 

“Wij vragen U, Gotama,

wat is de oorzaak van iemands ondergang?

Wij zijn naar de Verhevene gekomen met de vraag:

Wat is de oorzaak van iemands achteruitgang?”

 

(De Boeddha:)

“Gemakkelijk te kennen is degene die vooruitgaat;

gemakkelijk te kennen is degene die achteruitgaat.

Degene die de Dhamma liefheeft, gaat vooruit;

degene die van de Dhamma een afkeer heeft,

gaat achteruit.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de eerste oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de tweede oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men graag vertoeft bij slechte lieden,

als men niet graag bij deugdzame mensen is,

als men de leer van boze mensen goedkeurt,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de tweede oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de derde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men graag lang slaapt,

als men graag in gezelschap verkeert,

als men traag, lui en prikkelbaar is,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de derde oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de vierde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men welgesteld is

en dan niet voor zijn ouders zorgt

als zij oud en bejaard zijn,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de vierde oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de vijfde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men door leugens

een priester of asceet

of enig ander bedelmonnik bedriegt,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de vijfde oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de zesde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men veel rijkdom heeft

en genoeg geld en voedsel,

maar dan zijn luxe alleen geniet,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de zesde oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de zevende oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men trots is op afkomst,

op rijkdom of op familie,

en als men dan zijn verwanten veracht,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de zevende oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de achtste oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men een rokkenjager,

een dronkaard, een speler is,

als men alles verbrast wat men verdient,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de achtste oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de negende oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men niet tevreden is met eigen vrouw

en dan lichtekooien

en/of vrouwen van anderen bezoekt,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

* Voor vrouwen geldt:

Als men niet tevreden is met eigen man

en dan andere mannen bezoekt.

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de negende oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de tiende oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men zijn jeugd voorbij is

en dan een jonge vrouw neemt

en als men wegens haar

niet kan slapen van jaloersheid,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

* Voor vrouwen geldt:

Als men een man neemt die niet bij de leeftijd past

en dan van jaloersheid niet kan slapen.

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de tiende oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de elfde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men autoriteit geeft aan een vrouw

die verslaafd is aan drinken en geld verkwisten

of aan een man van gelijke soort,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

(De god:)

“Wij hebben dit begrepen.

Dit is de elfde oorzaak van achteruitgang.

Vertelt ons nu, Verhevene,

wat is de twaalfde oorzaak van iemands ondergang?”

 

(De Boeddha:)

“Als men van adellijke geboorte is,

met veel ambities en weinig financiële middelen,

en als men dan streeft naar heerschappij,

dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

 

"Wanneer een wijs, edel iemand, met inzicht,

deze oorzaken van achteruitgang in de wereld

heeft gezien en overwogen,

dan kiest hij de veilige wereld."

 

Sn.I.7. (verzen 116-142) Vasala of Aggika Bhāradvāja Sutta – De leerrede over de verschoppeling.

De Boeddha legt uit dat men door daden en niet door afkomst een verschoppeling of een brahmaan wordt.

 

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. De Verhevene had zich ’s-morgens aangekleed, nam nap en (opper)gewaad en begaf zich naar Sāvatthī om er voedsel te vergaren. In het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja*1] brandde toen het offervuur: een offergave werd gebracht. De Verhevene die te Sāvatthī van huis tot huis ging op zijn ronde voor voedsel, kwam zo ook bij het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja. Deze zag de Verhevene van verre naderbij komen en riep hem toe: “Jij daar, kale, blijf daar. Ellendige asceet, blijf daar. Jij ellendige verschoppeling, blijf staan.” Na deze woorden sprak de Verhevene tot de brahmaan Aggika-Bhāradvāja: “Brahmaan, ken jij dan de verschoppeling of de dingen die iemand tot een verschoppeling maken?” – “Heer Gotama, ik ken de verschoppeling niet noch de dingen die iemand tot verschoppeling maken. Het zou goed zijn als de Heer Gotama mij deze zaak zó toonde dat ik de verschoppeling leer kennen of de dingen die iemand tot verschoppeling maken.” – “Brahmaan, dan luister, let goed op. Ik zal spreken.” – “Jawel, Heer,” gaf de brahmaan Aggika-Bhāradvāja ten antwoord. De Verhevene sprak aldus:

 

“Iemand die toornig is, vol haat, boosaardig, een lasteraar, met slechte bedoelingen, huichelachtig, ken hem als verschoppeling.

Iemand die hier levende wezens, hetzij dieren of vogels,*2] letsel toebrengt, wie voor levende wezens geen medelijden heeft, ken hem als verschoppeling.

Wie dorpen en steden belegert en verwoest, wie beruchtigd is als tiran, ken hem als verschoppeling.

Wie, hetzij in het dorp of in het bos, door diefstal neemt wat niet gegeven is, ken hem als verschoppeling.

Wie schulden maakt en na aanmaning dan loochent met de woorden: 'Ik ben je niets schuldig', ken hem als verschoppeling.

Wie een kleinigheid begeert en dan iemand overvalt op de weg, hem doodt en de kleinigheid neemt, ken hem als verschoppeling.

Wie voor eigen heil, voor dat van anderen of omwille van geld valse getuigenis aflegt, wanneer hij als getuige gevraagd is, ken hem als verschoppeling.

Wie met vrouwen van verwanten of van vrienden echtbreuk pleegt, met geweld of met haar toestemming, ken hem als verschoppeling.

Wie zijn ouders, wanneer zij oud en bejaard zijn, niet ondersteunt hoewel hij daartoe in staat is, ken hem als verschoppeling.

Wie zijn moeder of vader, broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling.

Wie het onheilzame aanbeveelt wanneer hem naar het heilzame gevraagd wordt, wie onduidelijke raad geeft, ken hem als verschoppeling.

Wie een slechte daad begaat en dan wenst: 'Dat men het niet van mij te weten komt,' wie in het geheim kwaad doet, ken hem als verschoppeling.

Wie bij een ander op bezoek gaat en er de maaltijd nuttigt, maar de gast niet eert door hem, wanneer hij een tegenbezoek brengt, een maal aan te bieden, ken hem als verschoppeling.

Wie een priester of asceet, wanneer het tijd is voor het eten, met woorden krenkt en hem niets geeft, ken hem als verschoppeling.

Wie vol verblinding vertelt wat niet gebeurd is, omdat hij naar gering voordeel verlangt, ken hem als verschoppeling.

Wie zichzelf roemt en anderen geringschat, wie zich door zo'n hoogmoed zelf vernederd heeft, ken hem als verschoppeling.

Wie twistziek is, gierig en vol slechte wensen, hebzuchtig en vol valsheid, zonder schaamte en onbescheiden, ken hem als verschoppeling.

Wie smalend spreekt over de Boeddha of zijn discipel, hetzij monnik of leek, ken hem als verschoppeling.

Maar wie zich als heilige uitgeeft zonder heilige te zijn, wie aldus een dief is in de wereld inclusief Brahmā, ken hem als de laagste verschoppeling.

Zij zijn het die 'verschoppeling' heten. Ik heb ze u nu verkondigd.

 

Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.

Ook hieruit is het te begrijpen; Ik geef u een voorbeeld. Sopaka was de zoon van een verschoppeling, een Candāla, die als Mātanga algemeen bekend was. Deze Mātanga had de hoogste roem bereikt welke zeer moeilijk te verkrijgen is. Veel edelen en ook brahmanen kwamen bij hem hun opwachting maken. Hij had de weg van de goden beklommen, het smetteloze hoge pad. Na begeerte en zingenot te hebben opgegeven, is hij naar de Brahma-wereld gegaan. Zijn afkomst hield hem niet ervan af in de Brahma-wereld herboren te worden.

 

Er zijn brahmanen, geboren in een familie van geleerden, die met de Vedas goed vertrouwd zijn. Ook hen kan men vaak met slecht gedrag zien. In dit leven reeds worden zij berispt, en in het volgende gaan zij naar de lagere wereld. Hun afkomst hield hen niet af van die lagere weg of van berisping.

 

Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.”

 

Na deze woorden zei de brahmaan Aggika-Bhāradvāja tot de Boeddha: “Voortreffelijk, eerwaarde Gotama, zeer voortreffelijk. Eerwaarde Gotama, juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de eerwaarde Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht heeft genomen vanaf vandaag tot zolang het leven duurt.”

_____

*1] Aggi betekent vuur; Bhāradvāja is de naam van de stam. Deze brahmaan onderscheidt zich van anderen door vuuroffers, daarom de naam Aggika-Bhāradvāja.

*2] letterlijk: eenmaal geboren of tweemaal geboren.

 

Sn.I.8. (verzen 143-152) Karaniya metta sutta – de leerrede over welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid.

 

Dit sutta wordt gebruikt voor de beoefening van liefdevolle vriendelijkheid (mettā) jegens alle levende wezens. Zelfs de recitatie ervan wordt door Boeddhisten beschouwd als zeer gunstig. Dit sutta istaat ook in het Khuddakapātha.

 

Inleiding

 

Toen de Boeddha eens te Sāvatthi vertoefde, ging een groep monniken, na van hem onderwerpen voor meditatie gekregen te hebben, naar een bos om er het regenseizoen door te brengen. Door hun aankomst waren de boomgodheden die in dat bos woonden, bezorgd. Zij moesten van hun bomen afdalen en op de grond blijven. Zij hoopten echter dat de monniken weldra zouden vertrekken. Maar toen bleek dat de monniken het hele regenseizoen van drie maanden daar zouden blijven, bestookten de boomgodheden die monniken ’s nachts op diverse manieren om hen weg te jagen.

Omdat het onmogelijk was onder zulke omstandigheden te leven, gingen de monniken naar de Verhevene en deelden hem hun moeilijkheden mede. Daarop gaf de Boeddha hun onderricht met de toespraak over welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid, en hij gaf hun de raad om met deze leerrede als hun bescherming terug te keren.

De monniken gingen weer naar het bos en beoefenden de instructie die hun was meegegeven. De hele atmosfeer doordrongen zij met hun stralende gedachten van welwillendheid (mettā). De godheden werden op die manier door deze kracht van liefde beïnvloed en stonden hun toe in vrede te mediteren.

 

De toespraak over welwillendheid

 

“Wie de staat van vrede wenst te bereiken, moet het heilzame weten, moet energiek zijn en geheel en al oprecht. Hij of zij moet vriendelijk zijn, zachtmoedig en zonder hoogmoed, tevreden en gemakkelijk in onderhoud te voorzien, met weinig bezigheden en zonder veel benodigdheden. Met de zinnen bedaard, bescheiden, zonder begeerte gaat hij of zij onder de mensen. En niet in het geringste mag enige overtreding begaan worden waarvoor andere wijze mensen hem of haar zouden kunnen berispen. En laat hij of zij denken: ‘Mogen alle levende wezens gelukkig zijn en vol vrede, moge hun hart vervuld zijn van geluk, mogen zij gelukzalig van harte zijn. Wat voor levende wezens er ook zijn, hetzij zwak of sterk, allen zonder uitzondering, groot of klein of middelmatig, dun of dik, zichtbare en onzichtbare wezens, de wezens die veraf zich bevinden of nabij, bestaande wezens en de wezens die naar bestaan zoeken, - moge geluk al hun harten vervullen, mogen zij gelukzalig van harte zijn.’ Laat niemand de ander bedriegen en laat men niemand verachten om welke reden dan ook. Laat men nooit iemand anders iets kwaads toewensen, uit ergernis of uit vijandige gezindheid. Zoals een moeder haar eigen zoon, haar enig kind beschermt met haar leven, laat men zo voor alle levende wezens zijn gemoed ontvouwen. Laat men vol goedheid en mededogen voor de gehele wereld zijn gemoed ontvouwen, onbegrensd: opwaarts, neerwaarts, rondom en kruiselings in het midden, naar alle richtingen; ongestoord, vrij van haat en vrij van vijandschap. En of men nu staat of gaat, zit of ligt, laat men, steeds als men van vermoeidheid vrij is, zich vestigen in deze oplettendheid. Dat geldt hier reeds als goddelijk vertoeven. En wie niet meer in verkeerde meningen is gevangen, wie deugdzaam is, aan wie inzicht eigen is, wie begeerte naar zintuiglijk genot heeft overwonnen, hij of zij komt beslist niet meer in een moederschoot.”

 

Sn.I.9. (verzen 153-180) Hemavata Sutta.

Twee yakkhas twijfelen over de eigenschappen van de Boeddha. Zij gaan naar de Boeddha en stellen vragen erover. De Verhevene gaat verder met het beschrijven van het pad dat voert naar de bevrijding van de dood.

 

Sn.I.10. (verzen 181-192) Âlavaka Sutta.

De Boeddha beantwoordt de vragen van de yakkha Ālavaka over geluk, begrip, het pad naar Nibbāna. De yakkha wordt bekeerd.

 

Ālavaka sutta - De toespraak tot Ālavaka

 

Eens (in het 16e jaar na de Verlichting) vertoefde de Verhevene te Ālavi. Daar woonde de yakkha (demon) Ālavaka. De Boeddha bracht een bezoek aan diens huis, trof hem niet thuis aan en ging binnen op de demon zitten wachten.

Toen de demon aankwam, zei hij aan de Boeddha: “Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een tweede keer zei de demon: ”Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een derde keer zei de demon: “Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een vierde keer sprak de demon: “Kom naar buiten, asceet.” - “Vriend, ik zal niet meer naar buiten komen. Doe maar wat je wilt.” – “Asceet, ik zal je een vraag stellen. Wanneer je ze niet kunt beantwoorden, zal ik je geest verwarren of je hart splijten of je aan de voeten vastpakken en naar de andere kant van de rivier gooien.” – “Vriend, ik zie weliswaar niemand in de wereld met haar goden, haar Maras en Brahmas, met haar scharen van asceten en brahmanen, goden en mensen, die mij aan de voeten kan vastpakken en naar de andere kant van de rivier kan gooien. Maar, vriend, vraag wat je wilt.”

 

Toen richtte de demon Ālavaka zich tot de Verhevene met dit vers:

“Wat is het kostbaarste bezit van de mens?

Wat, indien juist gedaan, brengt hem geluk?

Wat geldt als de zoetste smaak?

En welk leven noemt men hier het beste?”

 

Het antwoord van de Verhevene luidde:

“Vertrouwen is het kostbaarste bezit van de mens.

Indien hij de leer navolgt, brengt hem dat geluk.

De waarheid is de zoetste smaak.

En een leven in wijsheid is het beste.”

 

(Ālavaka)

“Hoe kan men de stroom oversteken

en hoe de oceaan?

Hoe overwint men het leed?

En hoe wordt men geheel gezuiverd?”

 

(De Boeddha)

“Door vertrouwen steekt men de stroom over;

en door waakzaamheid de oceaan.

Door inspanning overwint men het leed.

En door wijsheid wordt men geheel gezuiverd.”

 

(Ālavaka)

“Hoe verkrijgt men wijsheid?

Hoe kan men vermogend worden?

Hoe krijgt men roem

en hoe krijgt men vrienden?

En hoe blijft men vrij van leed

als men van hier naar de andere wereld is gegaan?”

 

(De Boeddha)

“Door op de leer van de heiligen te vertrouwen,

welke leer naar de verwezenlijking van Nibbāna voert,

door er goed naar te luisteren,

steeds achtzaam en met inzicht,

zo verkrijgt men wijsheid.

 

Vermogend wordt men

als men juist en omzichtig handelt,

met plichtsbesef en met inspanning.

Door oprechtheid en waarheid krijgt men roem.

En door te geven krijgt men vrienden.

 

Wie deze vier eigenschappen bezit,

namelijk eerlijkheid, rechtschapenheid,

standvastigheid en edelmoedigheid,

die zal na de dood geen leed kennen.

 

Je kunt ook andere priesters en asceten vragen

of men iets beters dan zelfbedwang en waarheid,

vrijgevigheid en verdraagzaamheid kan vinden.”

 

(Ālavaka)

"Waarom zou ik thans

andere priesters en asceten vragen?

Vandaag heb ik immers vernomen

waarin het toekomstige heil bestaat!

 

Voor mijn heil, waarlijk,

is de Boeddha naar Ālavi gekomen.

Want heden heb ik vernomen

waar gaven rijke vruchten dragen.

 

Zo zal ik nu van dorp tot dorp

en van stad tot stad gaan,

en eer brengen aan de Ontwaakte

en aan zijn voortreffelijke leer.”

 

Na deze woorden zei Ālavaka tot de Boeddha: “Voortreffelijk, Gotama, zeer voortreffelijk is uw leer. Juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de eerwaarde Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht neemt vanaf vandaag tot zolang het leven duurt.”

 

Sn.I.11. (verzen 193-206) Vijaya Sutta of Kayavivvhandanika sutta – Analyse van het lichaam.

Een analyse van het lichaam in de (onzuivere) bestanddelen ervan en de vermelding van de monnik die Nibbāna bereikt door het begrijpen van de ware aard van het lichaam.

(zie ook Khuddhakapata 3. Dvattimsākāra)

 

Sn.I.12. (verzen 207-221) Muni Sutta, de wijze

De idealistische opvattingen van een muni of wijze die een leven alleen leidt, bevrijd van de passies.

 

Sn.I.12, vers 210

“Wie elk oord van bestaan heeft begrepen,

wie naar geen ervan verlangen koestert,

wie vrij is van begeerte en zonder wens,

hij of zij hoeft niet meer te strijden:

aangekomen is die persoon aan de oever.”

 

II. Cûla-vagga (Sn.II. 1-14)

II. Cûla-vagga, het kleine boek (Sn.II. 1-14)

 

Sn II.1 (verzen 222-238) Ratana sutta – De Juweel-toespraak

(Dit sutta staat ook in het Khuddakapatha).

 

Inleiding

In het vijfde jaar na de Verlichting ontstond er hongersnood in de stad Vesāli. Ten gevolge daarvan stierven eerst de arme mensen. De stank van hun lichamen trok een groot aantal geesten aan. Aangetast door die boze geesten stierf een nog groter aantal mensen. Zó groot was de stank van de lijken dat de inwoners ingewandsziekten kregen. Er waren toen dus drie plagen: de plaag van hongersnood, de plaag van boze geesten en de plaag van ziekte.

De inwoners van Vesāli nodigden toen de Boeddha, die te Varanasi vertoefde, uit om hun te komen helpen door zijn bovennatuurlijke krachten. En de Verhevene ging met een groot gevolg naar Vesāli.

Sakka, de koning van de goden, kwam in gezelschap van een groep godheden eveneens naar Vesāli. En door het samenkomen van zulke machtige goden sloegen de boze geesten voor het grootste deel op de vlucht.

 

In de avond stond de Leraar bij de poort van de stad en sprak tot de ouderling Ānanda: “Ānanda, ontvang van mij deze Juweel-toespraak en reciteer ze als bescherming binnen de drie muren van de stad Vesāli, terwijl je met de Liccavi-prinsen de ronde doet in de stad.”

De ouderling ontving de Juweel-toespraak uit de mond van de Leraar, nam water in de stenen nap van de Meester en ging naar de stad. Daar nam hij zijn plaats in aan de poort. Toen hij daar stond, mediteerde hij over alle verdiensten van de Boeddha, te beginnen met diens verheven besluit. Vervolgens beschouwde hij de tien volmaaktheden van de Tathāgata; de vijf grote opofferingen; de drie verdienstelijke daden ten behoeve van de wereld, ten behoeve van zijn verwanten en omwille van de Verlichting; zijn bereiken van alwetendheid en de negen bovenzinnelijke voorwaarden.

Daarna betrad Ānanda de stad en ging gedurende de drie nachtwaken rond binnen de drie muren van de stad. Hierbij reciteerde hij de Juweel-toespraak als bescherming.

 

Op het moment dat de eerwaarde Ānanda de woorden: “Wat er bestaat” (vers drie) uitsprak en het water omhoog sprenkelde, viel het op de boze geesten. Vanaf de derde strofe rezen druppels water die op zilveren bolletjes leken, omhoog in de lucht en vielen op de zieke mensen. Onmiddellijk was de ziekte van hen genezen. De boze geesten werden door de druppels geraakt en probeerden te ontsnappen. Hoewel er zeer veel deuren waren, was er voor hen niet genoeg plaats om door de deuropeningen te ontsnappen. Daarom braken zij de muur af en zo ontkwamen zij.

De bevolking van Vesāli maakte de raadszaal met alle soorten van parfums welriekend, richtte een baldakijn op en maakte een zitplaats voor de Boeddha gereed. De Leraar ging er neerzitten en de gemeenschap van de monniken en de gastheren van de Liccavi-prinsen zaten in een kring om hem heen. En Sakka, de koning van de goden, stond – omgeven door een groep goden – op een passende plaats.

 

De ouderling Ānanda ging door de hele stad en keerde terug met een grote menigte mensen die van hun ziekte genezen waren. Hij begroette de Meester en ging zitten. Wederom reciteerde de Leraar de Juweel-toespraak. Op het einde ervan verkregen zeer veel levende wezens begrip van de leer. Aldus reciteerde hij op dezelfde manier op de volgende dag en gedurende zeven dagen daarna dezelfde toespraak. En toen hij zag dat alle plagen geluwd waren, nam hij afscheid en vertrok vanuit Vesāli.

 

De Juweel-toespraak ( Sn.verzen 222-238)

 

“De wezens die hier samen zijn gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

mogen zij allen blij zijn en welgemoed

en mogen zij opmerkzaam luisteren

naar het woord van de leer.”

 

“Daarom luistert goed, gij wezens allemaal,

betoont u goedgezind jegens het geslacht der mensen

die overdag en ’s nachts u vrome gaven brengen.

Moogt u hen daarom vol toewijding beschermen.”

 

“Wat er bestaat aan schatten, hier en in gindse wereld,

welk kostbaar juweel zich in de hemel ook bevindt,

geen kan zich met de Volmaakte vergelijken.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Beëindiging en verzaking,

kostbare bevrijding van de dood,

bereikt door de Wijze der Sakyas, innerlijk bedaard,

niet bestaat er iets dat aan zo’n leer gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Die als zuiverheid geprezen wordt

door de hoogste Boeddha,

die men als concentratie met directe vrucht aanduidt,

niet vindt men iets dat aan zo’n concentratie gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Acht verheven mensen

die door de Edelen geprezen worden,

die ook bekend zijn als viervoudig mensenpaar,

zij, volgelingen van de Volkomene, zijn gaven waard.

Rijke vrucht brengt de gave die hen aangeboden wordt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Die zich met sterke geest helemaal wijdden,

vrij van lusten, aan de instelling van Gotama,

die het doel bereikten, in het Doodloze doken,

zij genieten de bevrijding, om niet verkregen.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Zoals de paal van de stadspoort

stevig staat in de grond,

door winden van elke richting onbewogen,

hieraan gelijk verkondig ik de edele mens

die de viervoudige edele waarheid

met wijsheid aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Zij die deze waarheid die zo goed verkondigd is,

met diepe wijsheid helder begrijpen,

al is hun vooruitgang ook zeer langzaam,

een achtste bestaan is er voor hen niet meer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Gemeenschappelijk komen met bereikt inzicht

drie dingen tot verdwijnen:

het geloof aan persoonlijkheid en twijfel

en elk hechten aan regels en rituelen.

Aan de viervoudige lagere werelden

is hij dan ontkomen, niet meer in staat

om de zes grote euveldaden te begaan.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“En al maakt men ook vaak nog fouten

in daden, woorden of in gedachten ook,

hij of zij is niet in staat om zulks te verhelen.

Dit is een onmogelijkheid, zo zegt men,

voor iemand die het verheven oord aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Zoals bloesemtoppen in het dichte bos,

in het zomerseizoen, in de eerste zomermaand,

daaraan gelijk onderwees hij tot het ware heil

de beste leer, naar Nibbāna voerend.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Als beste die het beste kent,

het beste geeft, het beste brengt,

hij, zonder weerga, onderwees de beste leer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Boeddha;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

“Vernietigd is het oude en niets nieuws ontstaat.

Het hart is vrij van toekomstig bestaan.

Vernietigd zijn de kiemen

en geen verlangen groeit er meer.

Zo doven wijzen uit, zoals deze lamp hier.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

 

Sakka, de koning van de goden, reciteerde hierna nog de volgende verzen:

 

"Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Boeddha die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

hem willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

 

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Leer die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

 

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Orde die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk."

 

Sn.II.2. (verzen 239-252) Āmalgandha Sutta.

De Boeddha Kassapa weerlegt de brahmaanse mening dat het eten van vlees een hindernis is. Alleen een slechte geest en slechte daden zijn een hindernis voor geestelijke vooruitgang.

 

Sn.II.3. (verzen 253-257) Hiri Sutta – Schaamte

Over ware vriendschap.

 

Sn II.4. (verzen 258-269) Maha mangala sutta - De leerrede over de grootste zegeningen

 

Inleiding

Een belangrijke leerrede voor leken is het Maha mangala sutta, de leerrede over de grootste zegeningen. De erin genoemde zegeningen zijn een onfeilbare gids in dit leven. Zij leiden stap voor stap naar de bevrijding van alle lijden.

Deze 38 zegeningen kan men in vier groepen indelen, namelijk:

I. Voorbereiding; het leggen van de juiste basis door goed gezelschap, een goede plaats om te leven, verdiensten in het verleden. (Nrs. 2-3).

II. Leven in de wereld: fundamentele verantwoordelijkheden, sociale verplichtingen, zelfbescherming, persoonlijke vooruitgang, cultivering van hogere eigenschappen. (Nrs. 4-7).

III. Geestelijke groei. ( Nrs .8-9).

IV. Het hoogste heil. (Nrs. 10-12).

 

Maha mangala sutta - De leerrede over de grootste zegeningen

 

Aldus heb ik gehoord. Toen de Verhevene eens te Savatthi verbleef in het Jetavana-klooster van Anathapindika, kwam 's nachts een godheid naar hem toe. De schittering van die godheid verlichtte het hele klooster. Hij groette de Boeddha eerbiedig, ging vol respect naast hem staan en sprak hem toe met de woorden:

 

"Veel goden en mensen die naar geluk verlangen, hebben zich afgevraagd wat de hoogste zegeningen zijn. Vertelt mij a.u.b. wat die zegeningen zijn.”

 

(De Boeddha gaf in verzen het volgende antwoord)

 

“Niet met dwazen om te gaan, maar omgang te hebben met de wijzen. Diegenen te eren die eer waard zijn. - Dit is de hoogste zegening.

 

Op een gunstige plaats te vertoeven. In het verleden heilzame daden te hebben verricht. Zichzelf in de juiste richting te zetten (naar het hogere te streven). - Dit is de hoogste zegening.

 

Veel te leren en bedreven te zijn in een handwerk. Wel-geoefend te zijn in discipline (in deugdzaamheid). Een goede taalbeheersing te hebben. - Dit is de hoogste zegening.

 

Vader en moeder te ondersteunen. Vrouw (resp. man) en kinderen lief te hebben. Een vreedzaam beroep uit te oefenen. - Dit is de hoogste zegening.

 

Edelmoedig en vrijgevig te zijn. Oprecht van gedrag te zijn. Zijn verwanten te helpen. Smetteloos van gedrag te zijn. – Dit is de hoogste zegening.

 

Afkerig te zijn van het kwade. Van het kwade af te zien. Geen bedwelmende dranken of drugs tot zich te nemen. Standvastig te zijn in het goede. - Dit is de hoogste zegening.

 

Respect te tonen. Nederig te zijn. Tevreden te zijn. Dankbaar te zijn. Naar de leer te luisteren op passende tijden [of erover te lezen]. - Dit is de hoogste zegening.”

 

Verdraagzaam en geduldig te zijn. Gehoorzaam te zijn. Naar monniken te gaan. Religieuze gesprekken te voeren op passende tijden. - Dit is de hoogste zegening.

 

Zelfbedwongen te zijn. Een heilig en zuiver leven te leiden. Het inzien van de vier heilige waarheden. Het verwerkelijken van Nibbāna. - Dit is de hoogste zegening.”

 

(En als resultaat daarvan)

 

Een gemoed te hebben dat niet door de grillen van het leven wordt bewogen; een gemoed te hebben dat vrij is van verdriet; een gemoed te hebben dat bevrijd is van smetten; een gemoed te hebben dat vrij is van angst en dat vol is van vrede. - Dit is de hoogste zegening.

 

Zij die deze voorwaarden voor zulke zegeningen hebben vervuld, zijn steeds en overal zegevierend en zij hebben steeds geluk. Voor hen zijn dit de hoogste zegeningen.”

(Ook in Khp.V.)

 

Sn.II.5. (verzen 270-273) Sūciloma Sutta

Begeerte, afkeer en onwetendheid ontstaan met het lichaam, hechten en de idee van een zelf.

 

Sn.II.6. (verzen 274-283) Dhammacariya Sutta – Juiste levenswandel

Juiste levenswandel. Een monnik moet een juist en zuiver leven voeren en diegenen vermijden die graag twisten en diegenen die slaaf zijn van hun verlangens.

 

Sn.II.7. (verzen 284-315) Brāhmanadhammika Sutta - Overeenkomstig de leer van de brahmanen

Dit sutta gaat over een ideale maatschappij, volgens Boeddhistische richtlijnen, zonder weelde en offergaven. Brahmanen worden tot de leer van de Boeddha bekeerd door de uitleg dat de ideale staat alleen in het verleden bestond; die ideale staat was bevolkt door brahmanen die de praktijken navolgden die de Boeddha aanbeveelt. Nadruk werd gelegd op eerbied voor de koe. Zij geeft voedsel, sterkte, schoonheid en geluk. Achteruitgang begon door begeerte naar de rijkdom van de koning. Hem werden dierenoffers aanbevolen. Eerst waren er drie ziektes: begeerte, honger en ouderdom. Door het offeren van koeien kwamen er in totaal 98 ziektes. Uiteindelijk verdween de kennis van de Dhamma.

 

Sn.II.8. (verzen 316-323) Nāvā Sutta – De boot

Een goede leraar is als een bekwaam man die in staat is mensen te helpen de stroom over te steken in zijn boot.

 

Sn.II.9. (verzen 324-330) Kimsīla Sutta - Hoe moet een mens zich gedragen?

Hoe een lekenvolgeling(e) zich moet gedragen.

 

Sn.II.10. Verzen 331-334) Utthāna Sutta - Spant u in

Men moet niet eerder rusten totdat alle begeerte, elk hechten en alle onwetendheid is verwijderd.

 

Sn.II.11. (verzen 335-342) Rāhula Sutta

De Boeddha geeft zijn zoon de raad wijze mensen te respecteren en met hen om te gaan.

 

Sn.II.12. (verzen 343-358) Vangīsa Sutta

De Boeddha verzekert Vangîsa dat diens overleden leraar, Nigrodhakappa, Nibbâna heeft bereikt.

 

Sn.II.13. (verzen 359-375) Sammāparibbājaniya Sutta - Juiste levenswandel van de bhikku

Juiste levenswandel van een monnik: geen hechten aan iets of iemand, verwijdering van de passies, begrip van de aard van samsāra.

 

Sn.II.14. (verzen 376-404) Dhammika Sutta

De Boeddha legt aan Dhammika uit wat de plichten zijn van een bhikkhu en van een lekenvolgeling. Van de laatste wordt verwacht dat hij de vijf regels navolgt en de uposatha dagen viert.

 

III. Maha-vagga (Sn.III. 1-12)

III. Maha-vagga, het grote boek (Sn.III. 1-12)

 

Sn.III.1. (verzen 405-424) Pabbajjā Sutta – Ontzegging van de wereld

Koning Bimbisara van Magadha probeert de Boeddha over te halen het ascetische leven op te geven door hem rijkdom te beloven. De Boeddha zegt dat hij de bedrieglijke natuur van zintuiglijk genot heeft ingezien.

 

Sn.III.2. (verzen 425-449) Padhāna Sutta – De strijd

Dit sutta verhaalt de inspanningen die nodig waren om de Verlichting te verkrijgen aan de oevers van de rivier Nerañjarā. Er volgt een gesprek met Mara.

 

Sn.III.3. (verzen 450-454) Subhasita Sutta - goed gesproken

De taal van bhikkhus moet goed gesproken zijn, aangenaam, juist en waar.

 

Sn.III.4. (verzen 455-486) Sundarika-bhāradvāja Sutta

De Boeddha legt aan de brahmaan Sundarika uit hoe men waard wordt om offergaven te ontvangen.

 

Sn.III.5. (verzen 487-509) Mâgha Sutta

De Boeddha legt het bovenstaande uit aan de lekenvolgeling Māgha, en spreekt ook over de verschillende soorten van zegeningen van offergaven.

 

Sn.III.5 (verzen 490-499)

 

“Zij die zonder hechten zijn, vol zelfbeheersing,

die alle boeien hebben verbroken,

die bedwongen zijn, vrij, onverstoorbaar en wensloos,

zij die begeerte en haat hebben opgegeven

en ook onwetendheid en meningen,

onzelfzuchtig, zonder wens;

zij die geen verlangen koesteren

naar wat dan ook in de wereld,

naar meervoudig*1] bestaan hier of elders;

zij die stil werden, ontkomen aan de hartstochten,

zonder kwaadwil, vrij van toekomstig bestaan,

zij zijn offergaven waardig.”

_____

*1] meervoudig: het bewustzijn dat samengaat met iets anders. Het enkelvoudig bewustzijn (dat zich nergens aan hecht en dat geen begeerte als ‘metgezel’ heeft) is vrij.

 

Sn.III.6. (verzen 548-573) Sabhiya Sutta

Sabhiya, een zwervende asceet, kon op zijn vragen geen bevredigende antwoorden krijgen van de zes beroemde leraren van die tijd. Hij ging naar de Boeddha toe, kreeg bevredigende antwoorden op zijn vragen en werd een volgeling van de Boeddha.

 

Sn.III.7. (verzen 548-573) Sela Sutta

De brahmaan Sela gaat naar de Boeddha toe om te zien of deze de 32 tekenen van een groot man heeft. Door bovennatuurlijke krachten laat de Boeddha hem ook de twee tekenen zien die normaal voor het oog verborgen zijn. De brahmaan en zijn 300 volgelingen bekeren zich tot de leer van de Boeddha.

(Dit sutta staat ook in M.II.146).

 

Sn.III.8. (verzen 574-593) Salla Sutta

Het leven is kort en de dood komt voor iedereen. De wijze die dit begrijpt, heeft geen angst en geen vrees.

 

Sn.III.9. (verzen 594-656) Vâsettha Sutta

Twee jonge mannen, Bhāradvāja en Vāsettha, praten erover wanneer men een brahmaan is: door geboorte of door handelingen. De Boeddha bevestigt dat men een ware brahmaan is door zijn gedrag in daden, woorden en denken.

 

Sn.III.10. (verzen 657-678) Kokāliya Sutta

Kokāliya beschuldigt ten onrechte de eerwaarden Sāriputta en Maha Moggallāna ervan slechte gedachten te hebben. Ten gevolge daarvan komt Kokāliya tot een pijnlijke dood. Hij wordt wedergeboren in een van de hellen. De Boeddha somt de hellen op en beschrijft het gevolg van laster en achterklap.

Sn.III.11. (verzen 679-723) Nālaka Sutta

De wijze Asita daalt af uit de Tusita hemel om de pasgeboren Boeddha te zien. Hij neemt de baby in zijn armen en voorspelt zijn toekomstige grootheid. – Verder een beschrijving van de hoogste staat, die van wijsheid, gegeven door de Boeddha aan Nalaka, de neef van Asita. Dit sutta is een combinatie van twee afzonderlijke delen.

 

Sn.III.12. (verzen 724-765) Dvayatānupassanā Sutta - Beschouwing van de twee-heid

Dit sutta gaat over een serie van paren, waarvan dukkha steeds het tweede is. Het verhaalt hoe de paren door oorzaken zijn verbonden en dat het tweede element uit het eerste ontstaat.

 

Sn.III.12. vers 731

Wat hier ook ontstaat aan lijden, het is door (wedergeboorte producerende) wilsactiviteiten veroorzaakt (is ervan afhankelijk).

Als de (wedergeboorte producerende) wilsactiviteiten ophouden, dan is er geen verder ontstaan van lijden meer.

 

IV. Atthaka-vagga (Sn.IV. 1-16)

*V. Atthaka-vagga, het boek van acht (Sn.IV. 1-16)

Dit vagga is heel oud.

 

Sn.IV.1. (verzen 766-771) Kāma Sutta - Lust

Om onaangename resultaten te vermijden, moet men zintuiglijke genietingen vermijden.

 

Sn.IV.2. (verzen 772-779) Guhatthaka Sutta - de grot

Men moet niet hechten aan bestaan wanneer men vrijheid van lijden wil bereiken.

 

Sn.IV.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka Sutta - boosaardig

Iemand die zijn eigen deugdzaamheid prijst en nog hecht aan dogmatische visies, leeft een beperkt leven. Maar de wijze blijft bescheiden en onafhankelijk van filosofische systemen.

 

Sn.IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka Sutta - zuiver

Kennis van filosofische systemen kan iemand niet zuiveren. Men bereikt geen innerlijke vrede. De wijze evenwel hecht nergens aan.

 

Sn.IV.4, vers 791

Het vroegere nalatend en aan iets nieuws zich hechtend,

de hartstochten volgend, zó ontgaat men niet aan het zich-binden.

Men grijpt op en verwerpt het weer, zoals een aap

die de ene tak loslaat en de andere pakt.*

_____

* Zich hechten aan iets, wat dan ook, is oorzaak voor lijden. Zich nergens aan hechten betekent vrijheid.

 

Sn.IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka Sutta - het hoogste

De ware brahmaan houdt zich niet bezig met filosofische gesprekken en bereikt Nibbāna.

 

Sn.IV.6. (verzen 804-813) Jarā Sutta - ouderdom

Uit egoïsme ontstaat begeerte en spijt. De ideale monnik, de thuisloze, is onafhankelijk en zoekt geen bevrijding door iemand anders.

 

Sn.IV.7. (verzen 814-823) Tissa Metteya Sutta

In dit sutta wordt gewaarschuwd tegen de gevaren van seksuele omgang.

 

Sn.IV.8. (verzen 824-834) Pasūra Sutta

Zuiverheid kan niet verkregen worden door twistgesprekken.

 

Sn.IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya Sutta

De Boeddha wijst Māgandiya’s dochter af wanneer zij hem als zijn vrouw wordt aangeboden. Māgandiya was ervan overtuigd dat zuiverheid kwam door filosofie. De Boeddha onderwees dat zuiverheid het resultaat is van innerlijke vrede.

 

Vers 836 van het Suttanipata is vermoedelijk later toegevoegd. Noch het Niddesa noch het Paramatthajotikā geeft er commentaar op.

 

Sn.IV.10. (verzen 848-861) Purābheda Sutta - voor het verval

De eigenschappen van de ware wijze: vrij te zijn van verlangen, woede, begeerte, passie en gehechtheid. Hij is steeds kalm, bedachtzaam en gelijkmoedig.

 

Sn. IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta - Strijd en tweedracht [nibbana]

 

(De vragende)

Vanwaar zijn ruzie en tweedracht ontstaan,

het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht,

de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat.

Leg mij dat a.u.b. uit.

 

(De Verhevene)

Uit wat dierbaar is ontstaan ruzie en tweedracht,

het gejammer en het klagen, samen met de hebzucht,

de ijdelheid, de verwaandheid en ook de lasterpraat.

Met hebzucht zijn verbonden ruzie en tweedracht,

en als tweedracht is ontstaan, groeit de lasterpraat.

 

(vraag)

Wat dierbaar is in de wereld, waaruit stamt het,

en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn?

Vanwaar stammen wens en vervulling,

die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn?

 

(De Verhevene)

Uit het verlangen stamt wat dierbaar is in de wereld,

en al die verslaafdheden die in de wereld te vinden zijn.

Daaruit ontstaan wens en de vervulling,

die bepalen wat de bestemmingen van de mens zijn.

 

(vraag)

Vanwaar stamt het verlangen in de wereld,

vanwaar is de vorming van oordelen ontstaan?

Vanwaar stammen woede, leugens en twijfel

en ook andere dingen die de Asceet*1] verkondigt?

 

(De Verhevene)

Door onderscheid te maken in "gewenst" en "ongewenst",

daarop gebaseerd komt verlangen tot ontstaan.

Als hij ontstaan en vergaan ziet bij de lichamelijke dingen,

dan vormt de mens zich oordelen.*2]

 

De woede, leugens en twijfel,

ook die dingen zijn er als die tweeheid er is.*3]

Degene die twijfelt moet voortgaan op het pad van weten.

Uit zijn weten toonde de Asceet de dingen.4]

 

(vraag)

'Gewenst' en 'ongewenst' – vanwaar stammen deze?

Wanneer wat niet aanwezig is, zijn ook deze twee niet aanwezig?

Toon mij het verdwijnen en het ontstaan ervan,

verkondig het mij en vanwaar ze afstammen.

 

(De Verhevene)

'Gewenst' en 'ongewenst' stammen van de zintuiglijke indruk.*5]

Wanneer er geen zintuiglijke indruk is, zijn ook die twee niet aanwezig.

Het verdwijnen en ontstaan ervan

stamt daar vandaan. Zo verkondig ik.

 

(vraag)

Vanwaar stamt de zintuiglijke indruk in de wereld?

Vanwaar is het grijpen*6] (naar de wereld) ontstaan?

Wanneer wat niet aanwezig is, is er geen mijn-gedachte?

Wanneer wat verdwenen is, kan indruk geen contact maken?

 

(De Verhevene)

Door lichaam en geest is de indruk veroorzaakt.

Uit wensen stamt het grijpen (naar de wereld).

Wanneer er geen wensen zijn, zijn er geen mijn-gedachten,

wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is, kan indruk geen contact maken.*7]

 

(vraag)

Hoe geaard is iemand bij wie de lichamelijke wereld tot verdwijnen komt?

Of vreugdig of ellendig, hoe komt zij tot verdwijnen?

Verkondig mij a.u.b. hoe dit alles verdwijnt.

'O, konden wij het toch inzien,' zo verlangt mijn hart.

 

(De Verhevene)

Niet heeft hij het gewone bewustzijn, noch is het ziekelijk.

Hij is niet onbewust, noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn.

Voor degene die aldus geaard is, wordt de lichamelijke wereld opgeheven.

Want uit het bewustzijn ontstaat de veelheidswereld in haar onderdelen.”*8]

 

(vraag)

Wat wij gevraagd hebben, hebt u ons verkondigd.

Iets anders vraag ik u, verkondig ook dit.

Er zijn enige wijzen die onderrichten

dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is.9]

Zijn er ook zulke mensen die het anders verkondigen?

 

(De Verhevene)

In zoverre er enige wijzen onderrichten

dat het toppunt (van het bewustzijn) de zuiverheid van de mens is,

zo zijn er ook zulke die als kenner gelden,

die de vernietiging onderwijzen zonder rest.

 

Bevangen zijn zij, - zo herkent men deze.

Als onderzoeker kent de wijze hun steunpilaren.*10]

En door het kennen ervan zal de vrije persoon niet strijden.*11].

De wijze gaat niet van zijn naar opnieuw zijn.

_____

*1] de Boeddha

*2] Dan bepaalt de mens wat de waarde van iets of iemand is. - Wanneer de mens het ontstaan van een gewenste lichamelijke gebeurtenis of het vergaan van een ongewenste gebeurtenis ondervindt, dan velt hij het oordeel: 'Dit is goed.' Ondervindt hij het vergaan van een gewenste gebeurtenis, of het ontstaan van een ongewenste gebeurtenis, dan oordeelt hij: 'Dat is slecht.' MNidd maakt onderscheid tussen oordelen, ontstaan door begeerte en oordelen ontstaan door vissies (tanhāditthi-vinicchaya): Wanneer bijvoorbeeld iemand geen nieuw bezit krijgt en verkregen bezit bij hem verdwijnt, dan vraagt hij naar de oorzaak ervan en komt tot het oordeel: 'Wegens mijn overgave aan drank, dobbelspel, traagheid enz.' Dit is een oordeel dat bepaald is door begeerte, veroorzaakt door het ontstaan en vergaan van lichamelijke dingen. – Wanneer bijvoorbeeld zienvermogen is ontstaan, dan oordeelt men: 'Mijn ik is ontstaan;' wanneer het verdwijnt, dan oordeelt men: 'Mijn ik is verdwenen.' Dit is een oordeel dat bepaald is door verkeerde visie, veroorzaakt door het ontstaan en verdwijnen van lichamelijke dingen.

*3] Tweeheid, namelijk gewenst en ongewenst.

*4] De Boeddha toont alles uit eigen ervaring.

*5] Dit is een schakel in de keten van oorzakelijk ontstaan (paticca samuppada): 'door zintuiglijke indruk veroorzaakt is gevoel.' (phassapaccayā vedanā).

*6] Grijpen (pariggaha); MNidd maakt onderscheid tussen tanhā- en ditthi-pariggaha, d.w.z. grijpen in de vorm van begeerte of verkeerde visies. Het gaat hier dus om het geestelijke grijpen naar de waarneming, het be-grijpen ervan door be-grippen, die ofwel door begeerte of door theorieën vervalst zijn en zo de waarneming met verkeerde waarderingen voorzien en verkeerd weergeven.

*7] Wanneer de lichamelijke wereld verdwenen is (rūpe vibhūte). Het hier bedoelde 'lichamelijke' (rūpa) wordt in MNidd omschreven als 'de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen (die ook de zinsobjecten insluiten).'

MNidd: Uit vier oorzaken kan lichamelijkheid verdwijnen: door verdwijnen in herkennen (ñāta-vibhūta), door verdwijnen in het onderzoeken (tīrana-v.), door verdwijnen in het opgeven (pahāna-v.), door verdwijnen in het overschrijden (samatikkama-v.).

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het herkennen? Men weet dat alles wat lichamelijkheid is, in de vier grondstoffen (elementen) en de ervan afhankelijke lichamelijke dingen bestaat.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het onderzoeken? De zodanig herkende lichamelijkheid onderzoekt men in vergankelijkheid ervan, de onbevredigendheid ervan, de onpersoonlijkheid ervan, enz.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid in het opgeven? Na een dergelijk onderzoek geeft men het verlangen en de hebberigheid naar de lichamelijkheid op.

Hoe verdwijnt lichamelijkheid door overschrijden? Voor degene die de vier onstoffelijke meditatieve sferen (arūpa-samāpatti) heeft verkregen, zijn de lichamelijke dingen (inclusief die van de fijnstoffelijke sfeer) verdwenen, te niet gemaakt, overschreden, volledig overschreden, overwonnen (vibhūtā vibhāvita atikkantā samatikkantā vītivattā).

*8] Dit is een moeilijk vers, dat verschillende problemen opwerpt. Vooraf moet vermeld worden dat het daarin herhaaldelijk voorkomende begrip saññā (waarneming) hier als vertegenwoordiger voor bewustzijn in het algemeen staat, zoals ook in asaññā-satta, nevasaññā-nāsaññāyatana en andere.

Niet heeft hij het gewone bewustzijn (na sañña-saññī); MNidd: 'hij bevindt zich niet in de natuurlijke of gewone bewustzijnstoestand (pakati-saññā).'

Noch is het ziekelijk (na visañña-saññī); Mnidd: 'hij is niet waanzinnig noch geestelijk gestoord.'

Hij is niet onbewust (na asaññī); MNidd: 'hij is niet ingetreden in de toestand van de opheffing (van waarneming en gevoel, nirodhasamāpatti), noch is hij een onbewust wezen.'

Noch heeft hij een ontlichaamd bewustzijn, als vrije weergave van vibhūta-saññī, dat waarschijnlijk een afkorting is van vibhūta-rūpa-saññī. Dit wil zeggen dat hij niet iemand is wiens bewustzijn bij het lichamelijke en fijnstoffelijke verdwenen is. - MNidd: 'Hij heeft niet deel aan de vier onlichamelijke meditatietoestanden (na pi so catunnam arūpasamāpattīnam lābhī).

Want uit het bewustzijn stamt de veelheidswereld in haar delen (saññā-nidāna hi papañca-samkhā). Zie hierover Majjhima-Nik. 18 (Madhupindika-Sutta).(MN. II. 18) Deze leerrede kan als commentaar bij dit vers dienen.

*9] Het toppunt (aggam) wordt in MNidd als de onstoffelijke meditatieve verdiepingen uitgelegd. In het bijzonder is aan het gebied van noch waarneming noch niet waarneming te denken.

*10] Steunpilaren (nissaye): hiermee zullen vooral de steunpilaren in het begeren en theoretiseren (tanhāditthi-nissaya) bedoeld zijn.

*11] MNidd citeert hiertoe Majjh. Nik. 74 (MN.VIII.4): "De monnik wiens geest zo bevrijd is, keurt niemand goed en maakt ook geen ruzie met iemand. Hij gebruikt het gebruikelijke taalgebruik, maar hecht er niet aan."

 

Sn.IV.12. (verzen 878-894) Cūla-viyūha Sutta - de korte ontmoeting

Een beschrijving van de diverse filosofische scholen die elkaar tegenspreken zonder te beseffen dat er maar één waarheid is.

 

Sn.IV.13. (verzen 895-914) Mahāviyūha Sutta - de grote ontmoeting

De ware wijze.

 

Sn.IV.13, vers 913

 

De wijze laat oude neigingen, hij laat geen nieuwe meer opkomen.

Hij volgt niet de willekeur en is geen verkondiger van dogmas.

Hij is geheel bevrijd van theorieën.

Vrij van zelf-verwijten leeft hij onbevlekt in de wereld.

 

Sn.IV.14. (verzen 915-934) Tuvataka Sutta - snel

De bhikkhu moet de wortel van het kwaad en van verlangens uitroeien en de Dhamma leren. Ook moet hij kalm en meditatief zijn, zwijgzaam en verdraagzaam. Hij moet zijn voorgreschreven plichten vervullen.

 

Sn.IV.14, vers 920

“Zoals in het midden van de zee

geen golf opkomt, maar alles stil is,

zo zij men bestendig, stil.

Zo zij men zonder beweging van wens.

Moge er in de monnik

geen enkele opwelling over iets ontstaan.”

 

Sn.IV.15. (verzen 935-954) Attadanda Sutta

De wijze moet de waarheid spreken; hij moet vrij zijn van begeerte; hij moet energiek zijn en geen verlangen ernaar hebben beroemd te worden.

 

Sn.IV.16. (verzen 955-975) Sāriputta Sutta

Op verzoek van de eerwaarde Sariputta legt de Boeddha de principes uit volgens welke de bhikkhu zou moeten leven.

 

 

V. Pārâyana-vagga (Sn.V. 1-16)

*V. Pārâyana-vagga - het boek “weg naar de andere oever” (Sn.V. 1-16)

 

Verhalende verzen (verzen 976-1031). De vragen van de priesterdiscipelen.

Dit vagga begint met 50 verzen waarin verhaald wordt dat de brahmaan Bāvarī zijn 16 volgelingen naar de Boeddha stuurt. Hun namen zijn: Ajita, Tissa Metteyya, Punnaka, Mettagū, Dhotaka, Upasīva, Nanda, Hemaka, Todeyya, Kappa, Jatukanni, Bhadrāvudha, Udaya, Posāla, Mogharāja en Pingiya. Zij stellen samen 16 vragen. In het laatste deel van het vagga besluiten zij bij de Boeddha te blijven. De verzen worden toegeschreven aan de eerwaarde Ānanda. Er is geen commentaar erop in het Niddesa. De 16 vragen gaan over het oversteken van de stroom en de ontsnapping aan geboorte en dood.


Sn.V.1. Ājita-Mānava-Pucchā (verzen 1032-1039)


Sn.V.2. Tissa-Metteyya (verzen 1040-1042)


Sn.V.3. Punnaka (verzen 1043-1048)

Sn.V.3, vers 1048

“Wie het lage en het hoge in de wereld onderzoekt, wie niet bewogen wordt door iets in de wereld, wie stil is en helder, onverstoorbaar en wensloos, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.”


Sn.V.4 (verzen 1049-1060) - De vragen van Mettagu, de priesterdiscipel.

 

Mettagu:

“Waaruit is dit lijden hier ontstaan, dit lijden dat in zo menigvuldige vormen voorkomt?”

 

De Verhevene:

“Het lijden ontstaat, veroorzaakt door de groepen van bestaan.*1] Alwie, uit onwetendheid, voor zich groepen van bestaan schept, geraakt steeds weer opnieuw in lijden. Wie dit inziet, wie geboorte en de oorsprong van het lijden ziet, moet daarom geen nieuwe groepen van bestaan meer scheppen.”

 

Mettagu:

“Op welke manier overschrijden wijze mensen de vloed:*2] geboorte en ouderdom, zorg en leed?”

 

De Verhevene:

“Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming.*3] Kom het bewustzijn*4] te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”

_____

*1] Groepen van bestaan, namelijk:

a) De vijfvoudige indeling: lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties, bewustzijn.

b) De tweevoudige indeling: nama-rupa: geest en lichamelijkheid.

c) De drievoudige indeling: bewustzijn, geestelijke factoren, lichamelijkheid.

Wat als individueel bestaan beschouwd wordt, is in werkelijkheid niets anders dan een proces van die geestelijke en lichamelijke verschijnselen. Deze vijf groepen echter vertonen noch apart noch collectief een zelfstandig, op zichzelf bestaand iets (atta), noch is er een zelfstandig iets te vinden afzonderlijk van die groepen. Deze vijf groepen vormen een abstracte rangschikking maar ze hebben geen werkelijk bestaan als vijf volledige groepen. Er kan maar één vertegenwoordiger van deze groepen ontstaan met één staat van bewustzijn. Bij voorbeeld, met eenzelfde eenheid van bewustzijn kan slechts één enkele soort van gevoelens (vreugde, of verdriet) verbonden worden en nooit meer dan één. Evenzo kunnen geen twee verschillende gewaarwordingen op hetzelfde moment ontstaan. Ook van de diverse soorten bewustzijn kan slechts één tegelijk aanwezig zijn.

“Wat is de groep van lichamelijkheid? Het zijn de vier primaire elementen [aarde, water, vuur, lucht] en lichamelijkheid daarvan afhankelijk.

Wat is de groep van gevoelens? Het zijn de zes klassen van gevoelens: gevoelens door visuele indruk, gevoelens door klank-indruk, door geur-indruk, door smaak-indruk, door tast-indruk en door geestelijke indruk.

Wat is de groep van gewaarwording? Er zijn zes klassen van gewaarwording: gewaarwording van zichtbare objecten, van geluiden, van geuren, van smaken, van lichamelijke indrukken en van geestelijke indrukken.

Wat is de groep van geestelijke formaties? Er zijn zes klassen van wilstoestanden, namelijk m.b.t. zichtbare objecten, m.b.t. geluiden, m.b.t. geuren, m.b.t. smaken, m.b.t. lichamelijke indrukken, en m.b.t. geestelijke objecten.

Wat is de groep van bewustzijn? Er zijn zes klassen van bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn, en geestbewustzijn.” (S.XXII,56).

Over de onafscheidelijkheid van deze groepen is gezegd: “Wat er ook bestaat aan gevoelens, gewaarwordingen en aan geestelijke formaties, deze dingen zijn verbonden, niet onverbonden. En het is onmogelijk het een van het ander te scheiden en het verschil ervan aan te tonen. Want alwat men voelt, dat neemt men waar; en wat men waarneemt, daarvan is men zich bewust.” (M.43).

Verder is gezegd: “Het is onmogelijk het verdwijnen uit het ene bestaan en het intreden in een nieuw bestaan uit te leggen, of de groei, toename en ontwikkeling van bewustzijn uit te leggen onafhankelijk van lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording en geestelijke formaties.” (S.XII,53).

Betreffende de onpersoonlijkheid (anatta) en leegheid (suññata) van de vijf groepen is gezegd: “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’” (S.XXI,5).

De vijf groepen van bestaan zijn leeg, onwerkelijk, niet-reëel, evenals de waterbellen in een rivier. (Zie S.XXII,95).

*2] De vloed: er worden vier typen van vloed onderscheiden: 1) zintuiglijke verlangens; 2) worden; 3) meningen; 4) onwetendheid.

*3] Gewoontevorming: dit is vooral het zich gewennen aan meningen; maar het is ook gewoonte, d.w.z. het ‘woning-nemen’ van de geest.

*4] Bewustzijn: het kamma-producerende bewustzijn.


Sn.V.5. Dhotaka (verzen 1061-1068)


Sn.V.6. Upasīva (verzen 1069-1076)


Sn.V.7. Nanda (verzen 1077-1083)


Sn.V.8. Hemaka (verzen 1084-1087)


Sn.V.9. Todeyya (verzen 1088-1091)


Sn.V.10. Kappa (verzen 1092-1095)


Sn.V.11. Jatukannī (verzen 1096-1100)


Sn.V.12. Bhadrāyudha (verzen 1101-1104)


Sn.V.13. Udaya (verzen 1105-1111)


Sn.V.14. Posāla (verzen 1112-1115)


Sn.V.15. Mogharāja (verzen 1116-1119)


Sn.V.16. Pingiya (Pingiya-Mānava-Pucchā) (verzen 1120-1123)

Eindverzen 1124-1149.

 

6. Vimānavatthu

 6. Vimānavatthu

 

      Het Vimānavatthu is een collectie van verhalen over hemelse herenhuizen. Het zijn 83 verhalen (gedeeltelijk in dichtvorm) verdeeld in zeven vaggas. Ze handelen over de hemelse verblijven (vimāna) waarin diegenen als devas wedergeboren zijn die verdienstelijke daden hebben verricht tijdens hun leven als mens. In elk verhaal wordt door de eerwaarde Mahā Moggallana aan een deva gevraagd om welke reden hij of zij in de hemel is wedergeboren. De godheid vertelt dan in het kort welke daad hij of zij in een vorig leven heeft gedaan met dit hemelse resultaat. De verhalen zijn ongetwijfeld bedoeld voor leken om ze tot een goed leven aan te sporen.

      Het Vimānavatthu in de vorm zoals wij het nu hebben, behoort tot de jongste werken van de Pāli canon. De diepgrondige leer van kamma (karma) is er uitgelegd aan de hand van voorbeelden. Er zijn aanwijzingen dat sommige verhalen ouder zijn dan de rest. Het Vimānavatthu is onderhevig geweest aan een lange ontwikkeling waarin verhalen werden toegevoegd of opnieuw gerangschikt.

Uit het Vimanavatthu

Uit het Vimanavatthu

 

    (I.1). Als beloning voor het geven van een stoel volgde wedergeboorte in de hemel.

 

    (I.6-7). Als beloning voor het geven van drinkwater volgde wedergeboorte in de hemel.

 

    (I.8). Een slavin gaf drinkwater aan een monnik, hoewel haar dat verboden was. Als gevolg ervan werd zij met eerbetoon in de hemel wedergeboren en bereikte zij het pad van stroomintrede. (Dit laatste was het grootste resultaat van die gave).

 

    (I.10). Gave van sesam-zaad aan de Boeddha. Als gevolg van die goede daad werd de gever niet in de hel maar in de hemel wedergeboren.

 

    (I.11). Verhaal over kuise vrouw die niet boos werd, geduldig alles verdroeg en die waarheidlievend was. Als gevolg daarvan werd zij in de hemel wedergeboren.

 

    (I.15). Verhaal over arme vrouw die rijst gaf aan een heilige. Haar man gaf tandenstoker en water. Als gevolg daarvan werden beiden wedergeboren in de hemel.

 

    (I.17). Als gevolg van deugdzaamheid volgde wedergeboorte in de hemel.

 

    (IV.2 (40). Te Rajagaha woonde een zekere lekenvolgeling die veel vertrouwen had in de Eerwaarde Maha-Moggallana. Een van zijn dochters had ook veel vertrouwen en achting voor deze eerwaarde monnik. Op zekere dag kwam de eerwaarde Maha-Moggallana op zijn ronde voor aalmoezen naar het huis van die lekenvolgeling. De dochter zag hem met vreugde en maakte een zitplaats klaar. Toen de eerwaarde monnik zat, eerde zij hem met een krans van jasmijn en vulde zijn nap met melasse (stroop van suikerriet). Om haar te danken bleef de eerwaarde Maha Moggallana zitten. Het meisje deed alsof het nog veel werk in huis te doen had en zei dat het geen tijd had om naar de leer te luisteren. Dat zou het dan wel op een andere dag doen. Zij betoonde haar eer aan de ouderling en nam afscheid. Op dezelfde dag stierf zij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Zij had er een grote schoonheid en was gekleed in schitterende gewaden.

    Als gevolg van het geven van een bloemenkrans en stroop was zij in de godenwereld gekomen. Maar toch had zij een fout begaan door toen niet naar de leer te wilen luisteren. Want anderen die vertrouwen hadden in de Boeddha, Dhamma en Sangha overtroffen haar in levensspanne, faam en helderheid.

 

    (IV.4 (42). Gave van arme vrouw aan de Boeddha. - Eens vertoefde de Gezegende in het hertenpark te Isipatana. Vandaar ging hij naar Varanasi (Benares) voor aalmoezen. Een arme vrouw zag hem en omdat zij niets anders had, gaf zij hem gedroogde kummasa. Zij was vol vertrouwen dat ook zo'n geringe gave grote vrucht zou afwerpen. De Boeddha nam de gave aan en de arme vrouw was daarover zeer verheugd. Later stierf zij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Zij had er een grote schoonheid.

 

    (V.1 (51). Kikker vol devotie. - Eens vertoefde de Verhevene te Campa aan de oever van de lotusvijver met naam Gaggara. Daar begon hij aan een grote menigte mensen uit alle standen de leer te onderrichten. Een kikker werd door de aangename stem van de Leraar aangetrokken en dacht: “Dit is wat men Dhamma noemt.” Hij kwam uit de vijver en zat ineengedoken op de grond achter de toehoorders. Een koeherder zag de Verhevene spreken en bleef staan luisteren, geleund op zijn staf. Daarmee verplettende hij de kikker die in de hemel van de Drieëndertig goden wedergeboren werd. Daar leefde hij in grote majesteit en schoonheid; hij had er een zeer groot gouden herenhuis en werd er door nymfen bediend. Dat was het gevolg van dat ene moment van zuiverheid van geest.

 

    (VI.7 (71). Gave van een arme jongen aan een arahant. - Eens was een zekere jongen uit Rajagaha in een gerstveld om er op te passen. Als ontbijt had hij “kummase” bij zich. Toen hij ging zitten om te eten, kwam er een arahant aan. Op de vraag of hij al gegeten had, zweeg de arahant. De jongen begreep dat dit “neen” betekende en zei: “Heer, het is te laat om nog vóór etenstijd ergens aalmoezen te krijgen. Neemt uit medelijden met mij deze kummasa.” De arahant nam uit medelijden met de jongen die gave aan, sprak zijn dank uit en vertrok.
    De jongen was verheugd dat hij iets goeds had gedaan. Na enige tijd stierf hij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Hij had er grote schoonheid en een groot herenhuis. Dat alles was het gevolg van zijn goede daad.

 

    (VII.1 (75). Zorg voor ouders. - Te Savatthi leefde een arme lekenvolgeling die zijn levensonderhoud verdiende als dagloner. Hij was een devoot man en zorgde voor zijn bejaarde ouders. Ook volgde hij de vijf regels van deugdzaamheid na en de Uposatha-regels (de acht regels van deugdzaamheid).
    Na zijn dood werd hij wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Hij had er grote schoonheid en een zeer groot herenhuis. Dat was het gevolg van zijn goede daden.

 

7. Petavatthu

 7. Petavatthu

 

      Het Petavatthu bestaat uit 51 verhalen verdeeld in vier vaggas. Ze gaan over wedergeboorte als ongelukkige geesten (petas) vanwege onheilzame daden. Door de eerwaarde Nārada wordt er aan ongelukkige geesten gevraagd welke slechte daad ze in een vorig leven hebben gedaan met een dergelijk triest resultaat. In het kort wordt die daad dan verteld. Evenals het Vimanavatthu schijnt dit werk bedoeld te zijn voor leken, om ze te waarschuwen slecht gedrag na te laten.

      Pethavatthu betekent: verhaal over de gestorvenen of de geesten van de doden. Speciaal heeft het betrekking op de geesten in kwelling of in een staat van zuivering (soort vagevuur). De petas leven in de paraloka (onderwereld).

      De petas kunnen zowel overdag als ΄s nachts verschijnen op verschillende plaatsen en ze worden door hun verwanten herkend. Ze zoeken verlichting van hun lijden, maar ze profiteren niet van directe gaven. Het is erg belangrijk dat de gever de verdienste van de gave aan de peta overdraagt. Zo kan de geest verlost worden van de peta-zuiveringsplaats door de devotie van verwanten of vrienden en de begeleidende overdracht van verdienste. Een peta kan door een overvloed van verdiensten van goede daden die aan hem of haar aangeboden zijn, in een hemel wedergeboren worden. De overdracht van verdiensten aan petas maakt het mogelijk de werking van de wet van kamma-vipaka te wijzigen.

      In Petavatthu IV.3 verschijnt koning Pingalaka. Volgens het commentaar van Dhammapala heerste hij in Surattha 200 jaar na het overlijden van de Boeddha. Het Petavatthu moet net als het Vimanavatthu een periode van ontwikkeling hebben meegemaakt waarin enkele van de verhalen zijn toegevoegd. De tegenwoordige vorm van het Petavatthu moet later zijn samengesteld.

 

      Het Vimānavatthu en het Petavatthu behoren tot de jongste werken van de Pāli canon.

 

Uit het Petavatthu

Uit het Petavatthu

 

Pv. I.1.

Iemand werd ter dood veroordeeld. Hij kreeg lekker eten en drinken als laatste maaltijd aangeboden door Sulasa, de stadsschone. Maar hij was in de gelegenheid om dat eten en drinken aan de eerwaarde Maha Moggallana aan te bieden. Als resultaat van die gave was hij waard om in de deva-wereld herboren te worden (en niet in de hel). Maar hij dacht nog met wellust aan de stadsschone die hem in staat had gesteld om die gave aan te bieden. En ten gevolge daarvan werd hij in een lagere staat herboren. Hij werd een dryade in een grote banyanboom.

De Verhevene zei:

"De Arahants zijn het onvergelijkbare veld van verdiensten. Wie een verdienstelijke daad verricht op aarde en de petas eert, hij gaat naar de hemel."

 

Pv. I.2.

Ten tijde van de Boeddha Kassapa was er een monnik die wel zijn lichaam goed beheerste maar niet zijn taal. Hij beschimpte monniken, schold op hen. Na de dood werd hij in de hel herboren. Ten tijde van de Boeddha Gotama ging hij vanuit de hel naar de peta-wereld. Aan de voet van de Gierepiek te Rajagaha leefde hij met honger en dorst. Zijn lichaam was stralend, maar zijn mond leek op die van een varken. Omdat hij zich niet beheerst had in taal, was hij aldus herboren.

 

Pv. I.3.

Verhaal van een monnik die zich niet beheerste wat betreft taalgebruik. Hij werd in de hel herboren en later als peta met een stralend lichaam maar met een vieze mond waarin wormen zich te goed deden.

 

Pv. III.1.

Een jager ging steeds op jacht in de bossen, at het beste vlees op en bracht de rest dan naar de stad. Bij de stadspoort liepen de kinderen altijd naar hem toe en vroegen om vlees. Hij gaf dan elk kind een beetje ervan. Op zekere dag had hij geen vlees maar bloemen meegebracht.

Na zijn dood werd hij herboren als een peta met een bloemenkrans om. Maar hongerig en dorstig liep hij over de Ganges, op zoek naar zijn geboorteplaats en familieleden.

De hoofdminister van koning Bimbisara voer eens over de rivier en zag de peta. Hij vroeg hem waar hij naartoe ging. De peta vertelde dat hij naar zijn vroegere dorp en familie ging. De minister liet de boot stoppen en gaf aan een barbier een fooi. [De verdienste ervan droeg hij op aan de peta]. Toen de barbier gegeten had, was het resultaat bij de peta te zien. Met mooie kleren aan en een bloemenkrans om stond de peta daar.

Uit sympathie met de petas moet men daarom steeds weer gaven geven.

 

De minister ging naar Banaras en hij nodigde de Verhevene uit voor de maaltijd. De Boeddha nam de uitnodiging aan. Met een blij gemoed gaf de minister eten en drinken aan de Gezegende en aan de monniken.

Er was toen een grote menigte bijeen en uit mededogen liet de Boeddha hen toen enkele petas zien en legde uit hoe die in een dergelijke toestand gekomen waren.

"Sommige petas hadden bijna geen kleren aan, anderen waren bedekt met hun haren. Op zoek naar voedsel gingen zij van streek naar streek. In het verleden hadden zij geen toevlucht voor zichzelf gemaakt. Zij waren gierig geweest, gooiden soms eten en drinken weg en gaven niets aan asceten en monniken.

Maar degenen die in het verleden goede daden hebben verricht, die met open hand gaven, zullen de heldere wereld vullen en deze plek verlichten. Zij zullen zich verheugen in zinnelijk genot, zij zullen paleizen bezitten. En als zij uit die sfeer herboren worden, komen zij bij hoogstaande en rijke families."

"Voor degenen die geen verdiensten hebben verworven, is er geen geluk, noch hier noch ginder. Maar tot degenen die wel verdiensten hebben verworven komt geluk, zowel hier als ginder.

Veel goeds moet verworven worden door degenen die gezelschap wensen. Want degenen met verdiensten verheugen zich in de hemel, gezegend met rijkdom."

 

Pv. III.2. Het verhaal over Sanuvasin

 

       Heel lang geleden keerde een prins te Varanasi van het park terug naar het paleis. Onderweg zag hij een Pacceka-Baeddha met naam Sunetta. Deze laatste was op zijn ronde voor aalmoezen, maar de prins sprak hem met ruwe woorden toe.

       Het gevolg hiervan kwam direct. De prins voelde een hevig branden van zijn lichaam. Hij stierf en werd herboren in de grote hel Avīchi. Toen de tijd daar afgelopen was, werd hij wedergeboren als een peta. En in deze Boeddha-periode werd hij herboren in een vissersdorp.

       Hij was zich echter bewust van vroegere levens en daarom ging hij niet met anderen op visvangst. Hij gooide de vissen die zij meebrachten, terug in de zee. Zijn verwanten joegen hem toen het huis uit. Maar zijn broer bleef hem goedgezind.

       Door toedoen van de eerwaarde Ānanda werd de weggejaagde man een monnik. En hij bereikte de vierde fase van heiligheid: hij werd een arahant. Samen met twaalf monniken vertoefde hij toen op een berg.

       Zijn verwanten werden na de dood herboren als petas. Zijn vader en moeder voelden zich beschaamd dat zij hem toen uit het huis hadden gezet. Zij stuurden zijn peta-broer naar de arahant. De peta-broer maakte zich aan de arahant bekend met de woorden: “eerwaarde Heer, ik ben uw broer, herboren als peta. Ook uw moeder en vader zijn diep ongelukkige wezens in de wereld van Yama. Omdat zij verkeerde daden deden, gingen zij vanhier naar de peta-wereld. Zij zijn mismaakt, naakt en vol angst. Weest a.u.b. genadig en vol mededogen. Geeft een gave en schrijft de verdienste ervan aan ons toe. Dan zal het beter met ons gaan.”

       Toen de Ouderling en de twaalf andere monniken hun rondgang voor aalmoezen beëindigd hadden, kwamen zij op dezelfde plaats samen om een maaltijd klaar te maken. De Ouderling sprak hen aldus toe: “Geeft mij wat jullie hebt ontvangen. Ik zal een maaltijd gereed maken voor de Orde, uit mededogen met mijn verwanten.”

       Zij stemden ermee in. De Ouderling nodigde de andere monniken uit; en toen hij de maaltijd opdiende, droeg hij de verdienste van de gave op aan zijn moeder, vader en broer met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.” Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste was er voedsel voor de petas, zuiver, smakelijk en goed klaargemaakt.

       De broer die nu knap, sterk en gelukkig was, zei toen: “Eerwaarde Heer, er is voldoende voedsel, maar kijkt, wij zijn naakt. Heer, maakt dat wij kleren krijgen.”

       De Ouderling raapte hierop enkele flarden van weggegooide kleren op, naaide ze aaneen tot gewaden en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden kleren geproduceerd voor de petas. En de broer, met mooie kleren aan, toonde zich aan de Ouderling met de woorden: “Eerwaarde Heer, wij hebben nu meer kleren dan er in dit koninkrijk zijn. Ze zijn van zijde en van wol, van vlas en van katoen; het zijn er veel en ze zijn kostbaar. En ze hangen in de lucht. Eerwaarde Heer, wij hadden nog graag een huis.”

       De Ouderling bouwde een hut van bladeren en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden huizen geproduceerd voor de petas. Het waren mooie gebouwen met voorraadkamers. En de peta-broer zei: “Eerwaarde Heer, bij de mensen zijn niet zulke woningen als wij hier hebben. Wij hebben nu huizen zoals bij de devas. Maar Heer, zorgt ervoor dat wij een slok water kunnen drinken.”

       De wijze Ouderling vulde hierop een waterpot en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd drinkwater voor de petas geproduceerd. Er waren vier diepe vijvers met een goede wal en helder water. Het water was koel en rook aangenaam. En de vijvers waren bedekt met lotussen en waterlelies.

       Nadat zij een bad hadden genomen en gedronken, verschenen zij voor de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, wij hebben genoeg water, maar onze voeten doen pijn en zitten vol kloven. Als wij buiten rondgaan, stappen wij op het grind en op doornen van struiken. Heer, zorgt ervoor dat wij een voertuig krijgen.”

       De Ouderling nam een schoen en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

       Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd een rijtuig voor de petas geproduceerd. Hierin kwamen zij tot bij de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, uit mededogen zijn wij nu voorzien van voedsel en kleren. 0ok kregen wij een huis, drinkwater en een voertuig. Heer, wij komen om u die vol mededogen bent, eer te betonen.”

 

       De Ouderling vertelde dit voorval aan de Verhevene die het tot leerthema maakte.

 

Pv. III.7. Nu eens deva, dan peta.

Een jager bedwong zich 's nachts door advies van zijn goede vriend. Hij werd wedergeboren als herenhuis-peta. 's Nachts was hij stralend, met zinnelijke geneugten; overdag leed hij pijn, dan werd hij door honden verslonden.

 

8. Theragāthā

 8. Theragāthā

 

      Het Theragāthā of de “Verzen van de Ouderlingen (Theras)” bestaat uit 107 gedichten (1279 verzen). Die gedichten worden toegeschreven aan 264 Theras. De meesten van hen leefden tijdens de Boeddha of kort na hem. De gedichten zijn geordend in nipatas naar aantal verzen. Dus alle gedichten met één vers staan in groep één (eka nipata).

      Niet alle verzen zijn daadwerkelijk gesproken door de theras aan wie ze zijn toegeschreven. Soms zijn ze tot hen gesproken of gaan ze over hen. Zo zouden, volgens de commentator, de verzen die aan de eerwaarde Ānanda worden toegeschreven, bij verschillende gelegenheden zijn gesproken en zowel verzen bevatten die tot hem gesproken zijn als verzen die door hem gereciteerd zijn. Sommige verzen in de gedichten zijn duidelijk toevoegingen. Er zijn verwijzingen naar wonderen, grote bijeenkomsten van goden, en de grote beloningen voor het vereren van de Boeddha met een enkele lotusbloem. Dit alles doet denken aan het latere Mahayana.

 

9. Therīgāthā

 9. Therīgāthā

 

      Het Therīgāthā of “Verzen van de nonnen (Therī), bestaat uit 522 verzen die 73 gedichten vormen, verdeeld in nipatas. Verder is het met het Therigatha bijna gelijk als met het Theragatha.

 

      Beide collecties zijn door de traditie toegeschreven aan bepaalde Theras en Therīs die met naam genoemd worden. Ze hebben gemeenschappelijk de religieuze idealen. Alle monniken en nonnen kennen niets hoger dan die verheven vrede van de geest welke bereikt wordt door de uitdoving van begeerte, afkeer en illusie.

      Het staat vast dat in beide collecties een aantal gedichten van latere datum is. Ook hier, net zoals in alle collecties van de Tipitaka, is oud en nieuw gecombineerd.

 

10. Jatakas

10. Jatakas

 

Verhalen van de zogenaamde vroegere levens van de Boeddha Gotama worden Jātakas genoemd. Er zijn 547 van die verhalen, ook wel geboorteverhalen genoemd. Deze verhalen zijn didactisch en werden gebruikt om de grote deugden van de Bodhisatta, de grote lessen van deugdzaamheid te onderwijzen. Vóórboeddhistische sprookjes, legenden, fabels e.d. werden gebruikt en (enigszins) aangepast. De Jātaka-verhalen zijn in 22 boeken (Nipāta) ingedeeld, naar het aantal verzen dat erin voorkomt. Zo bevat het eerste boek de Jātakas die één vers hebben; het tweede boek die met twee verzen, enz.

       Het Nidānakathā of “Verhaal van de afkomst” is een inleidend verhaal. Erin wordt het leven van vroegere Boeddhas geschetst. Daarna volgt een bericht over het leven van de Boeddha Gotama tot aan de schenking van het Jetavana klooster door Anāthapindika. Dit werk geeft niets wezenlijk nieuws over het leven van de Boeddha. Het meeste is in de canonieke teksten weergegeven. En feiten die elders kort en eenvoudig bericht worden, zijn hier sterk overdreven.

      De eerwaarde Bhikkhu J. Kashyap schreef dat de Boeddha bij bepaalde gelegenheden een gebeurtenis uit zijn vroegere leven placht te vertellen. Volgens de eerwaarde Dr. Phra Maha Tuan Pim-Aksorn werden de Jātakas door de Boeddha zelf verteld tijdens zijn toespraken op verschillende plaatsen; en zijn ze naverteld door de eerwaarde Ānanda op het eerste concilie, en door de 499 andere arahants goedgekeurd. Volgens een andere bron zijn die verhalen door de Boeddha verteld aan zijn discipelen te Śrāvasti, en door de geleerde Ārya Śūra naverteld. Maar zijn de Jātakas inderdaad verhalen over vroegere levens van de Boeddha en zijn ze door de Boeddha zelf verteld?

      Kern schreef dat de Jātakas taferelen zijn met zedelijke strekking, Ze verschillen in aard niet van de Indiase fabels en vertellingen in het Pañçatantra. Eertijds moeten het eenvoudige leerzame vertellingen zijn geweest. Volgens hem is de vertaling ‘geboorteverhaal’ voor Jātaka verkeerd. De term jātakam is ontleend aan jātam (iets dat is geboren, dat is gebeurd) waaraan het achtervoegsel ka (kleiner of geringer) is toegevoegd. Hieruit ontstaat de betekenis: een klein voorval dat gebeurde, of een tafereel, een verhaal, een fragment, een fabel. Speyer was het met deze mening eens.

      Dit komt overeen met wat Winternitz heeft onderzocht. In de Jātaka-verhalen zijn oude en nieuwe elementen verenigd. Een Jātaka is een verhaal waarin de Bodhisatta in een van zijn vroegere levens een rol speelt als held of als toeschouwer. Ieder Jātaka-verhaal begint dan ook met de woorden: “In die en die tijd werd de Bodhisatta in de schoot van dit of dat wezen wedergeboren” en dan volgt het verhaal. Op deze manier kon elk volksverhaal of elke legende in een Jātaka veranderd worden. Men hoefde slechts een geschikt menselijk, dierlijk of goddelijk wezen dat in het verhaal voorkwam, te identificeren met de Bodhisatta. Zo ook konden verhalen die oorspronkelijk niets met de leer te maken hadden, ‘boeddhistisch’ worden. De monniken van weleer wisten dat de mensen van India graag naar verhalen luisterden. Zij gebruikten dan ook alle mogelijke verhalen, sprookjes, fabels, legenden etc. om de leer te verkondigen op een populaire manier.

      In de oude tijd heeft men het niet steeds nodig gevonden om de verhalen te veranderen in de Jātaka vorm. Zo komt het dat meerdere verhalen in de Pāli Canon te vinden zijn zonder dat de hoofdpersoon als de Bodhisatta geïdentificeerd wordt. Volgens Winternitz heeft men pas later die verhalen veranderd in de bekende Jātaka vorm. De monniken hebben die verhalen in hun preken verteld of hebben ze als preek gebruikt.

 

      Het oorspronkelijke boek van de Jātakas bevatte alleen de verzen. Het is samengesteld in Noord-India vóór de tijd van keizer Asoka. In India was een vermenging van proza met verzen erg geliefd. En ook de verhalen die men tot Jātakas omvormde, bestonden oorspronkelijk uit proza en verzen. Maar alleen de verzen ervan werden in de Pāli Canon opgenomen, zonder bijbehorende prozaverhalen. Toch moeten ook die bijbehorende verhalen overgeleverd zijn. Want zonder de prozaverhalen zijn de verzen onbegrijpelijk. De oudste Jātakas zijn gelijkenissen, fabels, parabels, sprookjes, legenden, balladen en anekdoten zonder raamwerk en zonder verzen. De meeste ervan zijn vóór-boeddhistisch of niet-boeddhistisch. Maar ze zijn handig omgevormd om ze met het leven van de Boeddha in verbinding te brengen. In al die verhalen speelt de Bodhisatta een meer of minder belangrijke rol.

      In de vroegste vormen van de Jātakas is de Boeddha in zijn vroegere leven nooit geïdentificeerd met een dier. Hij wordt er alleen geïdentificeerd met beroemde wijzen en leraren. Men gelooft dat de canonieke versies een latere ontwikkeling zijn van de vroege Jātakas.

 

       De Jātakas werden oorspronkelijk mondeling overgeleverd. Volgens de traditie zijn de 547 Jātakas in het Pāli naar Sri Lanka gebracht door de eerwaarde Mahinda, ca. 250 v.C. Nadat de Pāli Canon was vastgesteld, is men ertoe overgegaan het proza in de vorm van een commentaar vast te leggen. De uiteindelijke (tegenwoordige) versie is die van het commentaar, het Jātakatthakathavannanā, en niet van de oorspronkelijke volledige tekst. Dat commentaar is geschreven tussen de 2e en de 5e eeuw n.C. Het is in het Sinhalees vertaald en is gebaseerd op de traditie van het Grote Klooster te Anuradhapura, Sri Lanka. Het commentaar bevat zowel de verzen als de proza-verhalen. Verder heeft het een raamwerk met inleiding en een eind-identificatie. Het commentaar is door de eerwaarde Buddhaghosa in de 5e eeuw n.C. terugvertaald in het Pāli. Op die manier is de tekst van de Jātakas tot ons gekomen. Erin is de traditie gehandhaafd die overgeleverd is vanaf de 3e eeuw v.C.

 

      In dat commentaar is elk van de verhalen van de Jātakas verdeeld in vijf delen:

1. De inleiding (paccuppanna-vatthu), het verhaal uit de tijd van de Boeddha Gotama. In dit gedeelte is de gelegenheid vermeld waarbij de Boeddha het verhaal vertelde.

2. Het verhaal van het verleden (atīta-vatthu). Hier is in proza het verhaal van een van de vroegere levens van de Bodhisatta vermeld.

3. De verzen (gāthā).

4. Een korte uitleg (veyyākarana) die een grammaticaal commentaar is.

5. De samenhang (samodhāna). In dit gedeelte identificeert de Boeddha in het algemeen de hoofdkarakters die in het eerste deel voorkomen met degenen van wie de vroegere handelingen beschreven zijn in het tweede deel.

 

      Het Jātaka-boek is slechts een gedeeltelijk verslag. Het bevat niet alle Jātaka-verhalen die in de beginperiode van het Boeddhisme in omloop waren. Ook zijn die fabels, parabels, mythen en legenden in de oorspronkelijke collectie niet specifiek Boeddhistisch. Van oorsprong zijn ze populaire Indiase volksverhalen en legenden. De vroege Boeddhisten hebben er zeer waarschijnlijk een selectie uit gemaakt en ze toen aangepast. De ethiek erin is eenvoudig. Ook kunnen de Jātakas onmogelijk van één auteur afstammen. Ze kunnen hoogstens door één persoon zijn samengesteld. Meerdere delen zijn toegevoegd of omgedicht vanuit vroegere versies. Uit de taal is af te leiden dat sommige Jātakas in de 2e eeuw v.C. ontstonden.

 

      Uit het voorgaande blijkt dat de proza-gedeelten van de Jātakas niet zo oud kunnen zijn als de verzen. Ook zullen door de vertaling en terugvertaling meerdere wijzigingen zijn aangebracht. Sommige Jātakas behoren, zowel wat verzen als proza betreft, reeds in de 3e eeuw v.C. tot de boeddhistische overlevering. Dit blijkt uit Jātaka-afbeeldingen op reliëfs op de stoepas van Bharhut en Sānchi, welke uit de 3e of 2e eeuw v.C. dateren. Meerdere spreuken en legenden kunnen behoren tot vóór-boeddhistische tijden. Maar het grootste gedeelte van de verzen dateert hoogstens uit de 3e eeuw v.C. En van het proza behoort een deel uit de 3e of 2e eeuw v.C., en een deel pas uit de tijd na Chr. Sommige van de verhalen waren zeer oud toen zij niet later dan begin 3e eeuw v.C. in de boeddhistische traditie opgenomen werden. Ongeveer 60-70% ervan hadden geen verzen.

 

      Wat de inhoud betreft, vinden wij in de Jātakas:

* Fabels; ze leren over levenswijsheid. Slechts enkele ervan zijn specifiek boeddhistisch.

* Sprookjes en mythen, waaronder veel dierensprookjes. De meeste ervan zijn zonder enige betrekking met het Boeddhisme. In enkele gevallen zijn ze voorzien van een boeddhistische tendens.

* Korte anekdoten die niets boeddhistisch hebben.

* Sagen en novellen met veel avonturen en soms met een groter of kleiner aantal van ingesloten vertellingen. Het enige boeddhistische erin is dat de held de Bodhisatta is.

* Moralistische vertellingen.

* Spreuken die meer het ideaal van de brahmanen bevatten.

* Vrome legenden die slechts ten dele van boeddhistische oorsprong zijn. De meeste ervan behoren tot de literatuur van Indiase asceten.

 

      Winternitz concludeerde dat meer dan de helft van alle Jātakas, afgezien van het commentaar, niet van boeddhistische oorsprong is. Zijn verklaring is dat de boeddhistische monniken uit alle standen in de maatschappij kwamen. Velen van hen (zoals arbeiders en kooplui) waren goed vertrouwd met de volksverhalen van hun tijd. Andere monniken waren bekend met de oude balladen en heldenliederen van de krijgers. Weer anderen hadden de legenden en mythen der brahmanen vaak gehoord. Toen zij monnik werden, hebben zij het waarschijnlijk nuttig gevonden veel van deze herinneringen te verbinden met hun nieuwe religieuze overlevering.

      Sommige geleerden hebben aangenomen dat de Jātakas ons een beeld geven van de verhalende literatuur en de culturele verhoudingen ten tijde van de Boeddha of van vroegere tijden. Maar volgens Winternitz geldt dit slechts in zeer beperkte mate. Dr. R. Fick heeft de sociale omstandigheden onderzocht in noordoost India waar het Boeddhisme ontstond. Volgens hem verwijzen de sociale omstandigheden in de Jātakas naar die uit de tijd van de Boeddha. G. Bühler schreef (1895) dat er opmerkelijk weinig sporen van Boeddhisme zijn te vinden in de Jātaka-verhalen. Ook beschrijven zij niet de toestand van India in de 3e of 4e eeuw v.C., maar die van een oudere periode. Volgens Rhys Davids hebben de politieke en sociale omstandigheden die beschreven zijn in het Jātaka boek voor het merendeel betrekking op de toestand die bestond in Noord-India vóór de tijd van de Boeddha.

      Dr. Benoychandra Sen maakte eveneens een analyse van de Jātakas. Zijn werk is in 1926 als dissertatie gereed gekomen. In 1974 is het als boek verschenen. Hij schreef dat de collectie van de Jātaka-verhalen een opslagplaats is vol informatie over het leven en de samenleving in het oude India, met speciale verwijzing naar de organisatie van kasten, de rituelen, festiviteiten, gebruiken en gewoonten van verschillende gemeenschappen en volksgroepen, de economie etc. De bronnen van de verzameling legenden hebben een pre-boeddhistisch karakter. Bij sommige Jātakas zijn elementen van grote oudheid aangetroffen. Maar hun uiteindelijke vorm kregen zij in een aanzienlijk latere periode. De meeste verhalen, tenminste die over koningen en prinsen, hebben een historische achtergrond. De geografische kennis in de Jātakas omvat niet alleen een groot deel van India, maar ook plaatsen buiten India. De vertellers van de Jātakas waren bekend met veel plaatsen en eilanden buiten India, waaronder Myanmar (Birma), Sri Lanka en Babylon. Die verhalen moeten dateren uit de dagen toen actief handel gedreven werd tussen India en andere delen van de wereld.

 

      Oorspronkelijk waren de Jātaka-verhalen sprookjes, mythen, legenden, parabels en leer-verhalen. Alleen de verzen behoren tot de Pāli Canon; alleen die worden beschouwd als woorden van de Boeddha. Gombrich heeft duidelijk aangetoond dat de Boeddha vaak gebruik maakte van vergelijkingen, metaforen, allegorieën, satiren en analogieën. De Jātakas waren voor de vroegere toehoorders niet meer dan wat een parabel is voor ons. Zij moeten niet behandeld worden alsof ze bedoeld waren als nauwgezette oude geschiedenis. Ik denk dat de Boeddha en/of zijn monniken enkele oude en welbekende verhalen hebben gebruikt om iets uit te leggen. En latere monniken zijn daarmee doorgegaan.

      Er zijn Jātakas waarin het gedrag van de Bodhisatta niet voorbeeldig was, zoals de eerwaarde Seewali heeft aangetoond. Hij toonde ook dat er in de Jātakas ethische problemen zijn. De sprookjes, mythen, legenden en parabels die als basis dienden voor de Jātaka-verhalen, zijn niet aangepast om de vooruitgang in de loopbaan van de Bodhisatta aan te tonen.

 

      Als conclusie kunnen we stellen dat geen enkel Jātaka-verhaal een vroeger leven van de Boeddha beschrijft. De Jātakas zijn oude verhalen met een educatieve strekking. Door de verzen zijn ze ‘boeddhistisch’ gemaakt. Waarschijnlijk zijn slechts enkele ervan door de Boeddha zelf of door zijn discipelen verteld. Monniken van latere tijden hebben verhalen toegevoegd. Alleen de verzen ervan werden – net als de verzen van het Dhammapada – in de Pāli Canon opgenomen. De bijbehorende verhalen bleven als commentaar bewaard. Die verhalen van de Jātakas moeten niet al te belangrijk beschouwd worden. De verzen kunnen beter begrepen worden dankzij die verhalen. De verhalen zijn illustratief; alleen de verzen zijn belangrijk. En hierbij moet dan niet vergeten worden dat een groot deel ervan hoogstens uit de 3e eeuw v.C. dateert, d.w.z. na de tijd van de Boeddha. Ze kunnen niet allemaal door de Boeddha gesproken zijn. Hier is ook te denken aan de voorspelling van de Boeddha, dat er een tijd zal komen waarin niet meer naar de Dhamma geluisterd zal worden, maar naar leerreden die in dichterlijke stijl gemaakt zijn. (S.II.267) De Jātaka-verhalen zou men reeds tot die categorie kunnen rekenen. Het zou wellicht beter zijn geweest als de Jātakas van het begin af aan gerangschikt waren niet als geboorteverhalen, maar als educatieve verhalen die op een levendige manier uitdrukken hoezeer de Bodhisatta anderen wil helpen ook onder moeilijke omstandigheden. De vertaling van de samodhāna (samenhang) had dan eventueel kunnen zijn: “… en zoals die bepaalde personen in het verleden gehandeld hebben, op gelijke wijze is het thans met deze personen …”.

 

11. Niddesa

11. Niddesa

 

Het Niddesa (uitleg) zou zijn samengesteld door de eerwaarde Sāriputta. Het kan zijn dat enkele verklaringen van Sariputta zijn. Maar het hele werk in zijn huidige vorm moet in latere tijden zijn vervaardigd. Het Niddesa zelf wordt becommentarieerd in het Saddhammapajajjotikā van Upasena.

Het Niddesa bestaat uit twee delen, het Mahāniddesa en het Cullaniddesa (Cūlaniddesa). Het Mahāniddesa (de grote uitleg) is een commentaar op het Atthaka-vagga van het Sutta Nipāta. Het Cullaniddesa (de korte uitleg) is een commentaar op het Pārāyanavagga en het Khaggavisāna Sutta van het Urugavagga, eveneens van het Sutta Nipāta (Sn. I. 3).

De twee commentaren moeten al heel oud zijn omdat ze in de canon zijn opgenomen. Ze dateren vóór het 3e concilie; vermoedelijk zijn ze samengesteld in het begin van de 3e eeuw v.C. Volgens Buddhaghosa bestond het al vóór de 1e eeuw v.C. Alleen één bhikkhu kende de tekst nog van buiten. Om die tekst niet verloren te laten gaan, leerden andere monniken die tekst ook van buiten. En later werden de teksten op schrift gesteld om ze voor het nageslacht te bewaren.

 

 

12. Patisambhidāmagga

12. Patisambhidāmagga

 

Het Patisambhidāmagga is “het pad van analyse” van opvattingen en praktijken die al vermeld zijn in de Vinaya Pitaka en in het Dīgha Nikāya, Samyutta Nikāya en Anguttara Nikāya. Het wordt toegeschreven aan de eerwaarde Sāriputta. Het is verdeeld in drie groepen (vaggas): Mahā-vagga, Yuganaddha-vagga, en Pañña-vagga. Elke groep bevat tien onderwerpen, tien verhandelingen (kathā) over het een of andere belangrijke punt van de leer. Alle onderwerpen worden er systematisch behandeld in de vorm van vragen en antwoorden.

1. Het Mahā-vagga gaat over de kennis van vergankelijkheid (niet-blijvendheid) en onvoldaanheid (dukkha) van samengestelde dingen; de vier edele waarheden; oorzakelijk ontstaan; de vier niveaus van bestaan; verkeerde inzichten; de vijf vermogens; de drie aspecten van Nibbāna; kamma-vipāka; en de vier wegen naar Nibbāna.

2. Het Yuganaddha-vagga gaat over de zeven factoren van Verlichting, de vier grondslagen van oplettendheid, de vier juiste inspanningen, de vier krachten (wil, energie, denken, onderzoek), het edele achtvoudige pad; de vier vruchten van het leven van een monnik (Patticariya), en Nibbāna.

3. Het Pañña-vagga gaat over acht soorten van gedrag (cariyā): houdingen (lopen, zitten, staan liggen), zinsorganen, oplettendheid (satipatthāna), inzicht (vipassanā), kalmte (samatha), concentratie (de jhānas), de vier edele waarheden, de vier wegen naar Nibbāna, de vier vruchten van het leven van een monnik, en het bevorderen van het welzijn van de wereld (lokattha).

 

Uit de vorm van de tekst is op te maken dat het Patisambhidāmagga later is dan de andere delen van de canon. Deze tekst is niet geaccepteerd als canoniek door de Mahāsanghikas.

 

Norman noemt nog als onderwerpen: beheersing van de ademhaling; de factoren van Verlichting; welwillendheid (mettā); de analyses (patisambhidas); leegheid (suññna) (= niet-zelf); bovennatuurlijke krachten (iddhi).

 

13. Apadāna

13. Apadāna

 

Het Apadāna is een collectie van legenden in versvorm over edele daden (apadānas), d.w.z. verhalen over de vrome werken van mannelijke en vrouwelijke heiligen. De Apadānas hebben, net als de Jātakas, een “verhaal van het heden” en een “verhaal van het verleden”. Het Apadāna bestaat uit 55 vaggas met de levensverhalen van 547 heilige theras en 4 vaggas met levensverhalen van 40 heilige therīs. Zij allen leefden ten tijde van de Boeddha Gotama.

1. De collectie begint met een Buddhāpadāna, een verheerlijking van de Boeddhas. In dit deel vertelt de Boeddha zelf over de Buddhakettas, ideale landen van schoonheid waar de Boeddhas leven. Het is een voorloper van het Mahayāna.

2. Daarna komt het Paccekabuddhāpadāna, een verheerlijking van de Paccekaboeddhas. De eerwaarde Ānanda stelt er aan de Boeddha vragen over de Paccekabuddhas. Het hele sutta van de neushoorn (Khaggavisāna sutta; Sn.I.3) is erin opgenomen.

3. Het hoofddeel van het werk is de Thera-Apadāna, de roemrijke daden van 547 Ouderlingen (Theras). Het is verdeeld in 55 secties (vaggas), elk bestaande uit 10 Apadānas.

4. Het laatste deel is de Therī-Apadāna, de roemrijke daden van 40 vrouwelijke Ouderlingen (Theris). Het is onderverdeeld in vier secties (vaggas), elk bestaande uit 10 Apadānas.

 

De apadānas gaan gewoonlijk, maar niet altijd, over een arahant. Veel verhalen hebben een mythologische aard. Dit laat vermoeden dat het Apadāna een van de laatste boeken van de canon is. De verhalen worden steeds in de mond gelegd van de Ouderlingen zelf, met de woorden op het einde: “Aldus sprak de eerwaarde […] de voorgaande verzen.” Het voornaamste doel ervan is aan te tonen dat het ook door de kleinste verdienstelijke daad mogelijk is om grote resultaten te verkrijgen, zelfs na een heel lange tijdsduur. Vanwege de mythologische aard van die verhalen zijn geleerden van mening dat de samenstelling van dit boek van veel latere datum is dan de rest van de Pāli Canon. Er is sprake van eerbetoon aan stoepas, heiligdommen en relieken. En er is een nadruk op edelmoedigheid en humanitaire daden.

Het Apadana is bijna een aanhangsel aan het Theragatha en het Therigatha.


14. Buddhavamsa

14. Buddhavamsa

 

Het Buddhavamsa, de kroniek van Boeddhas, is het 14e boek van het Khuddaka Nikāya. Hierin staan in versvorm legenden van de 24 Boeddhas die de voorgangers waren van de Boeddha Gotama. Het laatste hoofdstuk ervan handelt over de Boeddha Gotama en over de verdeling van zijn relieken.

Volgens het commentaar erop is het werk door de Boeddha zelf gesproken tot de eerwaarde Sāriputta in het Nigrodhārāma te Kapilavatthu. Maar dat die legenden van de Boeddha zelf stammen, is ongeloofwaardig. In de Vinaya Pitaka en Digha-Nikaya worden alleen zes voorgangers van de Boeddha genoemd. De Boeddha-leer ontwikkelde zich en het aantal Boeddhas vóór de Boeddha Gotama werd 24. Het Buddhavamsa is pas laat in de Pāli Canon opgenomen. Het werk is vol aanbidding en vergoddelijking van de Boeddha. En zoiets is niet bekend in de oudste Tipitaka teksten. Het is wel gebruikelijk in de Boeddhistische Sanskriet literatuur.

Het Buddhavamsa begint met het wonder dat de Boeddha een juwelen-looppad creëerde in de lucht en er op en neer liep om zijn Sakya-verwanten te overtuigen van zijn Boeddhaschap.

De eerwaarde Sāriputta hoort het lawaai dat de Sakyas dan maken, gaat met 500 arahants naar de Boeddha toe en vraagt hem welk voornemen en aspiratie voor Boeddhaschap hij had gemaakt. Ook vraagt de eerwaarde Sāriputta over de vervulling van de volmaaktheden. De Boeddha vertelt dan over de vierentwintig eerdere Boeddhas te beginnen met Dīpankara. Hij vertelt wat hij als Bodhisatta deed voor elke Boeddha.

Het Buddhavamsa is niet alleen een kroniek van die vierentwintig Boeddhas, maar ook een verhaal over Gotama tijdens al die Boeddhas die hem voorafgingen. In tegenstelling tot de suttas gebruikt de Boeddha er de ik-vorm.

Een latere ontwikkeling van de Boeddha-leer is te zien in hoofdstuk 27. Daar vertelt de Boeddha Gotama over drie Boeddhas die voorafgingen aan de Boeddha Dīpankara. Zij werden misschien niet zo belangrijk gevonden omdat de Boeddha Gotama er geen besluit en aspiratie maakte. Verder is er nog sprake van de toekomstige Boeddha Metteyya.

In hoofdstuk 28 is een verslag van de verdeling van de relieken van de Boeddha Gotama.

De reden voor het samenstellen van het Buddhavamsa is waarschijnlijk dat men wilde aantonen dat de Boeddha Gotama niet uniek is en dat zijn Verlichting alleen verkregen werd na vele levens lang te streven naar het vervullen van de tien volmaaktheden. Het Buddhavamsa is daarom een ontwikkelde Bodhisatta-leer, maar die is er niet verder ontwikkeld.

Het Buddhavamsa werd niet als canoniek aangenomen door de Digha-bhanakas.

 

15. Cariyāpitaka

15. Cariyāpitaka

 

Het Cariyāpitaka is het 15e en laatste boek van de Khuddaka Nikāya. Naar men aanneemt, is het ontstaan in de tijd na Asoka. Het is een collectie van 35 verhalen, in versvorm, over vroegere levens van de Boeddha, toen hij ernaar streefde de tien volmaaktheden te verkrijgen. Het werk is niet compleet. Alleen zeven van de tien volmaaktheden (dasa pārami) zijn er getoond.

Elk verhaal ervan beschrijft in de eerste persoon (ik-vorm) het gedrag van de Bodhisatta toen hij leefde als godheid (deva), mens, dier, slang, vogel of vis. Deze verhalen zijn verdeeld in drie groepen (vaggas). De eerste groep bevat tien verhalen over de Volmaaktheid van geven (dāna). De tweede groep bevat tien verhalen over de volmaaktheid van deugdzaamheid (sīla). De derde groep bevat vijftien verhalen. De eerste vijf ervan handelen over de volmaaktheid van ontzegging (nekkhamma). Dan volgt een verhaal over de volmaaktheid van vastberadenheid (adhitthāna). De volgende zes gaan over de volmaaktheid van waarheid (sacca). De volgende twee verhalen handelen over de volmaaktheid van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). En het laatste verhaal uit deze groep gaat over de volmaaktheid van gelijkmoedigheid (upekkhā). In de slotverzen wordt dan nog vermeld dat de volmaaktheden van wijsheid, energie en verdraagzaamheid eveneens bereikt zijn.

 

Het doel van het Cariyāpitaka is aan te tonen dat de Bodhisatta de volmaaktheden, pāramī of pāramitās, bezat in meerdere van zijn vroegere levens. Volgens de traditie werd het Cariyāpitaka door de Boeddha gepreekt tot de eerwaarde Sāriputta na het Buddhavamsa, op dezelfde plek te Kapilavatthu. Het is voor een groot deel gebaseerd op de Jatakas. Het is vermoedelijk een late tekst. Door de Digha-bhanakas werd het als niet-canoniek beschouwd.

 

Geraadpleegde bronnen

Geraadpleegde bronnen

 

Alsdorf, Ludwig: Pantschatantra. Fünf Bücher altindischer Staatsweisheit und Lebenskunst in Fabeln und Sprüchen, Hrsg. u. übers. von Ludwig Alsdorf, Bergen II: Müller & Kiepenheuer, 1952.

 

An, Yang-Gyu (tr.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Transl. by Yang-Gyu An. Oxford : PTS, 2003.

 

Benfey, Theodor (e.a.): Pantschatantra. Die fünf Bücher der Weisheit. Aus dem Sanskrit übertragen von Theodor Benfey (1859), bearbeitet von Karin Fitzenreiter, Berlin: Rütten & Loening, 1978. (Bibliothek der Weltliteratur).

 

Blok, J.A. Woorden van Boeddha. Deventer 1971.

 

Burlingame, Eugene Watson (tr.): ‘'The Buddha visits Kapila,' Buddhist Legends, London 1979, Book 13, Story 2 (Vol. 30, p. 2-4.

 

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada. Kuala Lumpur: Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

 

Donath, Dorothy C.: Buddhism for the West – Theravāda, Mahāyāna and Vajrayāna, New York: The Julian Press, 1971.

 

Dutoit, Julius (Übers.): Das Leben des Buddha. Eine Zusammenstellung alter Berichte aus den kanonischen Schriften der südlichen Buddhisten. Leipzig: Lotus-Verlag, 1906.

 

Dutoit, Julius (übers.): Jātakam. Das Buch der Erzählungen aus früheren Existenzen Buddhas, Bd.I. Leipzich Lotus-Verlag, 1908.

 

Gehman, H.S.: Petavatthu: Stories of the Departed. London : PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).

 

Glasenapp, Hellmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam: Athenaion, 1929. (Handbuch der Literaturwissenschaft).

 

Gombrich, Richard F.: How Buddhism Began : The Conditioned Genesis of the Early Teachings. London: The Athlone Press, 1996. (Jordan Lectures in Comparative religion XVII).

 

Grönbold, Günter: ‘Die Mythology des indischen Buddhismus,’ in: Wörterbuch der Mythologie, Bd. 5, Hrsg. H.W. Haussig, Stuttgart 1984, p. 285-508.

 

Horner, I.B. (tr.): Vimânavatthu : Stories of the Mansions. Transl.by I.B. Horner; assisted by N.A. Jayawickrama. London : PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).

 

Horner, I.B. (tr.): Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) and Basket of Conduct (Cariyâpitaka). London : PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXI) (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part III).

 

Horner, I.B. (tr.): The Clarifier of the Sweet meaning (Madhuratthavilâsinî : Commentary on the Chronicle of Buddhas (Buddhavamsa) by Buddhadatta Thera. London : PTS, 1978. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXIII).

 

Ireland, John D. (Transl). The Udana. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy: BPS, 1990.

 

Ireland, John D. (Transl). The Itivuttaka. The Buddha's Sayings. Kandy: BPS, 1991.

 

Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.): The Apadāna (II) – Buddhavamsa – Cariyāpitaka [Khuddakanikāya, Vol. VII]. [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).

 

Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.) : The Jâtaka (Part I). (Khuddakanikâya, Vol. III, Part. I). [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).

 

Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.) : The Khuddakapātha-Dhammapada-Udāna-Itivuttaka-Suttanipāta [Khuddakanikāya Vol. I]. [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).

 

Kern, H.: Geschiedenis van het Buddhisme in Indië, Haarlem: Tjeenk Willink, 1882, dl. 1.

 

Khantipalo, Phra: The Splendour of Enlightenment (sambodhipabhāsakathā). A Life of the Buddha. Compiled by Phra Khantipālo. Bangkok : Mahamakut Radjavidyalaya Press, Vol. II, 2530/1987 (1st ed. 2519/1976)

 

Ling, Trevor: A Dictionary of Buddhism. Indian and South-East Asian, Calcutta/New Delhi: Bagchi & Co, 1981. (Bagchi Indological Series; 2).

 

Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pali Proper Names. London: PTS, 1974. (Vol. I & II).

 

Masefield, Peter (tr.): Elucidation of the Intrinsic meaning so named The Commentary on the Vimâna Stories (Paramattha-dîpanî nâma Vimânavatthu-atthakathâ). Transl. by Peter Masefield; assisted by N.A. Jayawickrama. Oxford : PTS, 1989.

 

Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford 1995

 

Masefield, Peter. (Transl). The Itivuttaka. Oxford: PTS, 2000. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXVIII).

 

Ñânamoli, Bhikkhu (tr.): The Minor Readings (Khuddakapâtha). The first book of the Minor Collection (Khuddakanikâya) & The illustrator of ultimate meaning (Paramatthajothikâ) Part I : Commentary on the Minor Readings by Bhadantâcariya Bhuddhagosa. Oxford : PTS, 1997. (1st ed. 1960).

 

Ñanamoli, zie ook: Nyānamoli.

 

Nārada Thera (tr.): The Dhammapada: Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

 

Neumann, Karl Eugen (Übers.): Also sprach der Erhabene. Eine Auswahl aus den Reden Gotamo Buddhos. Zürich (etc) : Artemis, 1962.

 

Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden : Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).

 

Norman, K.R. (tr.): The Group of Discourses (Sutta-Nipâta). Vol. I. With alternative transl. by I.B. Horner and Walpola Rahula. London : PTS, 1984.

 

Norman, K.R. (tr.) The Group of Discourses (Sutta-Nipâta), Vol. II. Oxford : PTS, 1992. (Pali Text Society Translation Series No. 45). (Revised transl. with introduction and notes).

 

Nyānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.). Kandy: BPS, 1978. (1st ed. 1972).

 

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipāta,: Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.) - Konstanz: Christiani, 1977. (Buddhistische Handbibliothek; 6)

 

Pim-Aksorn, Phramaha Tuan: Buddhist Concept of Karunā and World Peace. Varanasi : BHU, 1988. Thesis submitted for the degree of Doctor of Philosophy in Philosophy to Banaras Hindu University.

 

Rhys Davids, T.W.: Buddhist India, (reprint) Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1987, (1st ed. 1903).

 

Saddhatissa, H.: The Birth-stories of the Ten Bodhisattas and the Dasabodhisattuppattikathā, being a Translation and Edition of the Dasabodhisattuppattikathā, London: PTS, 1975. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXIX).

 

Seewali Thero, Ven. Rassagala: A Critical Study of Ethical Problems of Bodhisatta's Karunā in Jātaka Stories. Bangkok: Mahachulalongkornrajavidyalaya University 2542/1999. A Thesis Submitted in Partial Fulfillment of The requirement for the Degree of Master of Arts (Philosophy) in Graduate School Mahachulalongkornrajavidyalaya University Bangkok, Thailand.

 

Seidenstücker, Karl (Übers). Itivuttaka: Das Buch der Herrnworte. Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers : Buddhistische Gemeinde am Niederrhein, [s.a.]

 

Sen, Benoychandra: Studies in the Buddhist Jātakas (tradition and polity), Calcutta: Saraswat Library, 1974.

 

Speyer, J.S. (tr.): The Jātakamālā or Garland of Birth-Stories of Āryasūra, (repr.) Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1982. (1st ed. 1895).

 

Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).

 

Webb, Russell (ed.) An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220, With a Bibliography.

 

Winternitz, M.: Geschichte der Indischen Litteratur. Zweiter Band. Erste Hälfte . Die buddhistische Litteratur, Leipzig: Amelang, 1913.

 

Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band II. (1913)

 

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

 

 

 

 

 

 

 

Verantwoording

 

 

 

Alles uit dit e-boek mag worden overgenomen.

 

Deze gegevens kunnen ook geraadpleegd worden op website

 

http://www.facettenvanhetboeddhisme.nl/5.2.5.%20Khuddaka%20nikaya.html

 

 

Imprint

Text: alles uit dit e-boek mag worden overgenomen
Publication Date: 09-28-2017

All Rights Reserved

Next Page
Page 1 /